Oranje boven in tijden van crisis

Net als veel andere landen ter wereld, bevindt Nederland zich in een verwoede worsteling met het coronavirus. Een van de dingen waar we ons in deze onzekere tijd meer en meer aan lijken vast te klampen is de Nederlandse identiteit. Maar hoe duurzaam is dat wij-gevoel eigenlijk? Volgens Jos Swanenberg, hoogleraar Diversiteit in taal en cultuur aan Tilburg University, worden de eerste scheurtjes in het saamhorigheidsgevoel al zichtbaar.

Nederlandse vlag

Met kreten als “Nederland is een trotse, volwassen democratie” en “We moeten dit met zijn allen doen”, probeerde Mark Rutte de afgelopen weken de nationalistische snaar in de Nederlander te raken. Juist nu moeten we vasthouden aan onze identiteit, luidt de boodschap. Om dit extra kracht bij te zetten, stak ook koning Willem-Alexander – hét symbool van eenheid en verbondenheid – ons in zijn toespraak nog enkele bemoedigende woorden toe. Kortom, in coronatijden bloeit ons oranjegevoel weer helemaal op.

Nederlandse identiteitsvorming

Het lijkt er dus op dat het wij-gevoel zich aardig weet te manifesteren gedurende deze periode. Volgens Jos Swanenberg, hoogleraar ‘Diversiteit in taal en cultuur’ aan Tilburg University, is het echter geen toeval dat dit juist gebeurt in een crisissituatie als deze. “Het wij-gevoel is zowel een mechanisme van insluiting als van uitsluiting. En juist het uitsluitingsaspect speelt nu een grote rol. Het is namelijk crisis en iemand anders is schuldig, iemand die niet bij ons hoort. Dit heeft als gevolg dat wij, de onschuldigen, naar elkaar toetrekken.” Dit proces is ook gaande in Nederland. In de ogen van veel Nederlanders moet de schuldvraag van deze crisis buiten henzelf beantwoord worden, wat zorgt voor onderlinge saamhorigheid.

“Insluiting betekent tegelijkertijd uitsluiting”

Niet alleen het hebben van een gezamenlijke zondebok zorgt voor een afstootbeweging, maar ook een botsing van twee verschillende identiteiten kan leiden tot het ontstaan of versterken van een identiteit. Swanenberg zag dit duidelijk gebeuren toen de zuidelijke EU-landen om financiële steun vroegen en Nederland zich hier uitdrukkelijk tegen verzette. “Achter al het gebakkelei om geld schuilt een clash tussen de Nederlandse VOC-mentaliteit en de zuidelijke mediterrane identiteit met tradities als siesta en fiesta.” Het zijn zulke momenten die de identiteit van een land herdefiniëren.

Hoe meer van deze uitsluitingsmomenten plaatsvinden, hoe sterker het gevoel van eensgezindheid. Dit gevoel wordt echter niet alleen door externe factoren gevoed, maar ook van binnenuit. Zo probeert de overheid burgers houvast te geven door de Nederlandse identiteit zoveel mogelijk te promoten.

Vrijheid en gelijkwaardigheid

Fluitsma & Van Tijn bezongen het ooit in hun hit 15 miljoen mensen: Nederlanders die schrijf je niet de wetten voor, nee, die laat je in hun waarde. Deze frase raakt aan het heersende beeld van de ‘vrije’ Nederlander, dat een van de bouwstenen vormt van de Nederlandse identiteit. We beschouwen onszelf als een vrij volk dat zich niet laat betuttelen door een belerende overheid en kijken met afkeer naar landen waar burgers onder de duim zitten van een gezaghebbend regime. Nederlanders zijn trots op hun verworven vrijheid en hebben deze sinds De Opstand nooit meer uit handen gegeven.

Dit beeld van de vrijheidslievende Nederlander komt duidelijk terug in de corona-aanpak van het kabinet. Met de zogenaamde ‘intelligente lockdown’, waarin de nadruk ligt op de eigen verantwoordelijkheid van de burger, wordt de autonomie van de Nederlander gewaarborgd.

Jos Swanenberg. Foto: J. Jans

Jos Swanenberg. Foto: J. Jans

Door het gewicht te leggen op de zelfredzaamheid van de burger, wordt ook aangesloten bij een ander idee dat diep geworteld is in ons zelfbeeld, namelijk gelijkwaardigheid. In een egalitaire samenleving als de Nederlandse wordt een te sterke vorm van hiërarchie niet geduld – zelfs niet van de overheid. Met het oog op dit gelijkheidsideaal heeft de regering daarom de burger toevertrouwd te kunnen zorgen voor zichzelf en zijn omgeving. Het is een beetje als dat moment waarop je vader voor het eerst zijn auto aan je uitleent; een gevoel van erkenning.

Met de maatregelen probeert de overheid dus zo goed mogelijk aan te sluiten bij de mentaliteit van de bevolking. Swanenberg ziet hier echter een gevaar in. “Grootste gemene deler-argumenten die het politieke beleid mee vorm geven lijken democratisch, maar gaan niet zelden ten koste van de belangen van minderheden.” Daarnaast zou men zich kunnen afvragen of een meer autoritair beleid niet meer gepast is in een situatie als deze. Nood breekt immers wet, toch?

Flinterdun

Ondanks dat er op dit moment dus een nationaal wij-gevoel heerst en de overheid haar best doet om dit zo veel mogelijk te stimuleren, ziet Swanenberg het somber in. “Ik denk dat het eenheidsgevoel flinterdun is en dat we vooral onze individualiteit willen bewaken.” Dit zou dus betekenen dat het oranjesentiment ondermijnd wordt door de persoonlijke vrijheid, en dat terwijl het kabinet hier juist zo op hamert.

“Een boost voor het multiculturalisme zit er helaas niet in”

“Bovendien denk ik niet dat het saamhorigheidsgevoel sterk genoeg is om de verschillen tussen alle burgers te overbruggen”, stelt Swanenberg. Daarvoor zou de Nederlandse bevolking te divers zijn. Er zijn volgens hem velen die erg selectief zijn in hun keuze met wie ze solidair willen zijn. Sommigen zien eerder het onderlinge verschil dan de onderlinge overeenkomst. “Een boost voor het multiculturalisme zit er daarom helaas niet in.”

Een andere reden waarom Swanenberg zo zijn bedenkingen heeft bij de duurzaamheid van het huidige wij-gevoel, is dat de oorzaak van de crisis door enkelen in eigen land wordt gezocht. “Terwijl op het wereldtoneel vooral met de vinger naar China wordt gewezen, krijgen in Nederland vooral de Brabanders het te verduren; zo wordt gezegd dat zij nog volop carnaval hebben gevierd, met als gevolg dat het virus zich als een lopend vuurtje over de rest van het land heeft verspreid.” Volgens Swanenberg vormen deze beschuldigingen de eerste scheurtjes in het nationale front.

Identiteit als sprookje

Wat we als mensen wel eens lijken te vergeten, is dat er in werkelijkheid helemaal niet zoiets bestaat als een nationale identiteit. Het is slechts een denkbeeld waar we in geloven en vervolgens een gevoel bij hebben. Swanenberg: “De Nederlandse identiteit zit niet in ons bloed en ook niet in onze bodem. Zij staat zelfs niet in ons paspoort, want dit bepaalt alleen onze nationaliteit en niet ons gevoel.” Toch geloven we in zo’n idee omdat we nu eenmaal ontvankelijk zijn voor een geloof in stereotypes en vooroordelen. Het is onze tweede natuur.

Het beeld van Nederland als een vrijgevochten egalitair volk dat tolerantie hoog in het vaandel heeft staan, is als het ware ons eigen sprookje. Het is gebaseerd op verhalen uit een gedeeld verleden en heeft tot op heden standgehouden. Dit komt mede omdat we het maar wat graag aan onszelf of aan anderen vertellen. Hierdoor wordt het vanzelf een nieuwe werkelijkheid – we horen niets anders. “Dat er bijvoorbeeld op die tolerantie in Nederland behoorlijk wat sleet zit, doet aan het stereotype niets af”, zegt Swanenberg. “Zolang je maar in het sprookje blijft geloven.”

Advertentie.

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.