Aart de Zeeuw: “Probeer Heidegger maar eens te lezen, dat valt niet mee”

Aart de Zeeuw: “Probeer Heidegger maar eens te lezen, dat valt niet mee”

Filosoof Arthur Kok (Academic Forum) neemt in een vierdelige interviewreeks het hoogleraarsvak onder de loep. Of zoals hij zelf zegt: ‘Zoals een natuurkundige op zoek gaat naar het kleinste deeltje om zicht op het geheel te krijgen, zo ben ik op zoek gegaan naar de kleinste, ondeelbare eenheid van een universitaire organisatie: de hoogleraar.’ Maar wat is eigenlijk een hoogleraar? Hoe word je dat? En: Wat bezielt deze mensen- want dat zijn het… In deel 1 praat Arthur Kok met Aart de Zeeuw, milieu-econoom bij TiSEM. “Eigenlijk heb ik een hele rare loopbaan gehad.”Hoe ben je hoogleraar geworden?
“In 1970 ging ik studeren in Groningen, eerst wiskunde en later economie als tweede hoofdvak. Eén jaar voor het einde van mijn studie had ik nog helemaal niet het idee dat ik een academische loopbaan wilde. Wel ben ik na mijn kandidaatsexamen negen maanden in Princeton geweest. Daar deed ik uiteindelijk drie vakken, terwijl ik mezelf in leven hield met tuinieren, schilderen en andere klusjes.”

Wist je toen al dat je econoom wilde worden?
“In Amerika besloot ik dat ik verder wilde in de economie. Ik wilde een maatschappijwetenschap doen en wiskunde blijft toch abstract. Verder had ik nog steeds geen duidelijk beeld van wat ik precies wilde. Misschien leraar worden, of iets in de samenleving, zoiets vaags. Toen ontmoette ik in het laatste jaar van mijn studie een nieuwe hoogleraar: een Belg die naam had gemaakt op het MIT. Hij was wiskundige, maar kwam uit de ingenieurswereld. In zekere zin had hij de omgekeerde weg bewandeld als ikzelf voor ogen had. Begonnen in de praktijk, was hij gaandeweg steeds meer geïnteresseerd geraakt in de abstractie van de wiskunde. Deze man gaf op een totaal andere manier les dan ik gewend was. Hij liet zien dat wetenschap leuk, uitdagend, interessant en nuttig was. Zo kreeg ik een liefde voor wetenschap.”

Wat deed deze hoogleraar anders dan anderen?
“Hij straalde enthousiasme voor de wetenschap uit. Bij hem werd een probleem iets leuks, iets om warm van te worden. Bovendien kon deze man het geweldig overbrengen naar de studenten. Natuurlijk, je studeert af en krijgt een papiertje. Maar dat zal je nooit motiveren om een wetenschappelijke loopbaan te kiezen. Dat doen de hoogleraren die in het wilde weg over een boek beginnen te vertellen dat ze hebben gelezen… Of het nu met hun vak te maken heeft of niet.”

“Er zijn een heleboel aspecten die de wetenschap onaantrekkelijk maken”

“Door deze ontmoeting snapte ik pas echt wat wetenschap was. Een droog verhaal of willekeurig onderzoek enthousiasmeert niet. Maar als iemand je de onderliggende structuren laat zien, begrijp je de zaak direct beter. Dat heeft ook een bepaalde schoonheid. Zo begreep ik plotseling wat wetenschappers drijft. ‘Enthousiasme’ is de sleutel. Er zijn een heleboel aspecten die de wetenschap onaantrekkelijk maken: het is soms eenzaam en je staat niet altijd midden in de samenleving. Daar moet wel iets tegenover staan.”

Plotseling wist je het: ik promoveer en word wetenschapper…
“Eerder had ik al besloten dat ik wilde promoveren in de economische wetenschap, niet in de wiskunde. Zo belandde ik in Tilburg, op een door het NWO betaalde promotieplaats. Na twee jaar liep de beurs af en werd ik hier wetenschappelijk medewerker. Ik gaf tien uur college in de week, terwijl ik daarnaast werkte aan een proefschrift. Tien uur college- daar moet je nu niet meer mee aankomen. Tegenwoordig vinden we dat promovendi alle tijd voor onderzoek moeten hebben. Ik vond juist die combinatie van onderwijs en onderzoek interessant. De keerzijde is dat ik er een stuk langer over deed. Ik ben in totaal toch wel een jaar of zes bezig geweest voordat ik dat proefschrift klaar had.”

Vind je dat er tegenwoordig meer druk ligt op jonge promovendi, met name om snel succes te hebben en te excelleren?
“Dat is eigenlijk onvermijdelijk. Het is zowel in het belang van de universiteit als van de medewerker om een universitaire carrière snel en strak te plannen. De moeilijkheid is natuurlijk dat je niet aan iemands blauwe ogen kunt zien of hij/zij een goede onderzoeker is. De praktijk moet dat uitwijzen. Ook iemand die cum laude afstudeert is niet noodzakelijk een goede onderzoeker. Maar je kunt een promovendus niet eindeloos aan het lijntje houden. Want als het niets wordt, moet iemand niet te oud zijn voor een alternatieve carrière. Een zekere handelingssnelheid is geboden. Iemand die zich in zo’n korte tijd moet bewijzen, staat enorm onder druk. Maar ik denk dat er geen alternatief is: je moet je waarmaken in die wereld. En vooraf heb je geen garantie van slagen.”

“Plotseling was ik hoogleraar”

Op welk moment kwam het hoogleraarschap concreet in beeld?
“Dat was toen de regering startte met de tweefasenopleiding. Daarmee werd het concept van aio [assistent-in-opleiding, ak.] ingevoerd. Om de zaak op te starten kon je subsidie aanvragen. Hierop besloten de zes economische faculteiten in ons land om gezamenlijk een onderwijscomponent in te richten voor die aio’s. Er werd een landelijk programma op touw gezet, en ze hadden iemand nodig die dat coördineerde. Ik had interesse in die functie en die was met een hoogleraarstitel verbonden. Toen ik uiteindelijk werd aangenomen, was ik plotseling hoogleraar.”

“Toen mijn eerste termijn als programmadirecteur af liep, kwam ik direct in aanmerking voor een tweede. Inmiddels werd er ook aan mij getrokken om decaan van de economiefaculteit te worden. Ik was nog heel jong, achter in de dertig, maar dat was in die tijd dat Tilburg zich helemaal begon om te vormen. De jongeren moesten het gaan doen. De oudere generatie zat te zeer vast in taaie structuren. Ik bleef bovendien hoogleraar, want op hetzelfde moment kwam er een leerstoel vacant voor milieu-economie. Aangezien ‘milieu-economie’ nog niet bestond, waren er ook geen gedoodverfde kandidaten voor. Ik had aantoonbare belangstelling voor milieuproblematiek, waarop mijn voorganger-decaan voorstelde dat ik dan maar hoogleraar milieu-economie moest worden. Eigenlijk heb ik een hele rare loopbaan gehad.”Je wordt gevraagd om decaan te worden; later word je zelfs gepolst voor de functie van rector. Je omgeving vond kennelijk dat je talent hebt voor bestuur.
“In de wetenschappelijke wereld is het algemene gevoel dat je niet moet gaan besturen, Dit omdat het je remt in je wetenschappelijke bezigheid. Van de andere kant moeten die functies wel vervuld worden. Vaak zeiden collega’s dat ze blij waren dat ik dat wilde doen, want dan hoefden zij niet. En ze vonden dat ik het waarschijnlijk ook nog wel het beste kon. Ik heb er trouwens altijd naar gestreefd om de afstand tot de werkvloer en het vak zo klein mogelijk te houden.”

“Vaak waren collega’s blij dat ik ging besturen, want dan hoefden zij niet”

Wat moet een bestuurder precies kunnen?
“Hij of zij moet besluiten kunnen nemen, knopen doorhakken. Je moet daartoe als persoon in staat zijn. Daarnaast moet je wetenschappelijk gezag hebben. Bovendien moet je als bestuurder de verantwoordelijkheid nemen voor budgetten en de levensvatbaarheid van de instelling. Ik neem vooral graag afstand van het idee dat alle wetenschappers klungels zijn op het gebied van financieel beheer, want dat is gewoon niet zo.”

Ben je dan in het voordeel als econoom?
“Dat weet ik niet. Ik hoop van wel, maar ik denk niet dat economen altijd goede bestuurders zijn. Helaas.”

Moet een bestuurder ook bedreven zijn in het spelen van politieke spelletjes?
“Het speelt zeker een rol. Ik zou liever besturen zonder al te veel politieke spelletjes te hoeven spelen, maar ik ben voldoende door de wol geverfd om te weten dat ze belangrijk zijn. Je hebt tenslotte met mensen te maken en er zijn altijd verschillende belangen. Ook moet je je momenten kunnen kiezen. Je leverage, zoals dat in het Engels heet, is heel belangrijk. Op welk moment moet je je invloed laten gelden? Je kunt wel dingen willen, maar met alleen argumenten kom je er meestal niet.”

Ben je het eens met de kritiek dat de universiteit ‘verschoolt’?
“Ja. Dat komt doordat het onderwijs aan de universiteit massaal is geworden. Die massaliteit is er, omdat ons financiële systeem dat vereist. Anders krijgen we niet voldoende middelen om de zaak draaiende te houden. Heel simpel, als er steeds meer studenten komen, wordt de staf-studentenratio steeds kleiner en dan moet je gewoon een schoolser systeem ontwikkelen. Dat is een enorm verschil met vroeger.”

“Je hebt tegenwoordig niet alleen veel grotere groepen voor je zitten, maar ook groepen met veel meer diversiteit. Er zitten behoorlijke niveauverschillen in. Ook buitenlandse studenten zorgen voor meer diversiteit. Het is voor een docent weleens lastig om met die grote diversiteit om te gaan. Ik bedoel, je hebt minder ruimte om dat op een academische manier te doen.”

Wat bedoel je daarmee, een academische manier?
“Daarin is er bijvoorbeeld meer ruimte om gesprekken te voeren met individuele studenten. Om te kijken wat hen bezighoudt, waar je hen mee kunt uitdagen, prikkelen of helpen. Ik merk dat je bij een grote groep niet veel anders kan dan op een gemiddeld niveau tegen mensen aanpraten.”

Wat verwacht je hierin van de studenten?
“Dat is een goede vraag. Weet je: ook voor studenten is het echt jammer dat zij met die massaliteit geconfronteerd worden. Wat moet je als je met zijn honderden in de collegezaal zit en je wilt wat meer contact met een docent? Moet je studenten dan adviseren om zichzelf veel meer op te dringen? Ik weet het niet.”

“In het algemeen is het natuurlijk zo dat studenten moeten proberen om zo veel mogelijk uit hun studieperiode te halen. Maar op het punt van persoonlijke ontwikkeling − wat heel belangrijk is − wordt het steeds moeilijker. De druk is groot, inschrijftijden zijn gelimiteerd, je kunt niet heel veel nevenactiviteiten ondernemen. Ik ben nooit negatief over studenten die het wat rustiger aandoen en de volledige vijf jaar gebruiken. Dan kun je net wat meer aandacht besteden aan dingen, net iets meer reflecteren. Overigens komen de goede studenten op een gegeven moment echt wel naar boven. En als hoogleraar heb je dan nog steeds wel de kans om die mensen te enthousiasmeren. Maar het is beduidend minder dan pakweg twintig jaar geleden.”

De grondlegger van de Tilburgse universiteit, Martinus Cobbenhagen, vond het belangrijk dat economen ook maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef bijgebracht werd. Volgens hem kon dit het beste vorm krijgen in aanvullend filosofie-onderwijs voor economen.
“Toen ik wiskunde volgde in Groningen moest ik verplicht een vak volgen over wetenschapsfilosofie. Ik zou inderdaad willen dat er een verband gelegd wordt tussen het vak, jouw persoon en je maatschappelijke verantwoordelijkheid. Moreel besef is belangrijk. Ik zie dat als één van onze grootste maatschappelijke problemen, dat in een groot deel van ons leiderschap moreel besef afwezig is. Als je CEO bent van een groot bedrijf, of minister-president, dan zit je in een positie dat je dat besef eigenlijk wel moet hebben. Heb je dat besef niet, dan kunnen dingen vreselijk mis gaan.”

Hoe kan aanvullend filosofie-onderwijs voor economen dit probleem ondervangen?
“Op de eerste plaats: je zit altijd met die klem dat je niet alles kunt doen in een opleiding. Je wilt iemand professioneel goed opleiden. Aan het eind moet hij/zij op de hoogte zijn van de moderne economie. Daarnaast hoop je dat er ruimte is om studenten te laten zien dat problemen ook anders benaderd kunnen worden. Ik denk dat het altijd goed is om óók de morele kant te belichten. En ik vind filosofie persoonlijk erg leuk hoor, maar vaak ook heel moeilijk. Probeer Heidegger maar eens te lezen, dat valt niet mee.”

Een bijdrage van Arthur Kok.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.