Gebaren voor wat je met woorden niet meer zeggen kan

Wat doe je als je nooit meer op de juiste woorden komt? Het met gebaren zeggen. Maar dat is soms moeilijker dan gedacht, blijkt uit het promotieonderzoek van Karin van Nispen naar mensen met de taalstoornis afasie.

Zo’n 30.000 oudere Nederlanders hebben afasie, een taalstoornis door hersenletsel.  De problemen verschillen sterk per individu, vertelt Karin van Nispen. Sommigen kunnen alleen nog ja of nee zeggen, anderen hebben moeite zinnen op te bouwen, wisselen klanken of zelfs betekenissen om. “Dan zeggen ze ‘tafel’, als ze ‘stoel’ bedoelen.”

Vanuit een fascinatie voor taal (“We kunnen praten maar weten niet hoe we dat doen”) studeerde Van Nispen Taal en Cultuurstudies in Utrecht, specialisatie Taalontwikkeling. Tijdens een stage bij een revalidatiecentrum kwam ze in contact met mensen die vrijwel niets meer kunnen zeggen. “Dat is heel indrukwekkend, niet kunnen praten lijkt mij één van de ergste dingen die een mens kan overkomen. Tegelijkertijd geven de taalfouten die mensen maken een heel interessante kijk op de bouwstenen van taal. Ik ben toen gaan nadenken over wat mensen nog wél kunnen. Zo kwam ik uit bij non-verbale communicatie. Daar wisten we nog weinig van.”De vraag die Van Nispen zichzelf stelde: hoe kunnen gebaren eraan bijdragen dat mensen met afasie tóch informatie kunnen overbrengen? Specifiek keek ze naar pantomime: het bewust uitbeelden van informatie die je wil overbrengen in een gebaar. Eerder onderzoek was vooral gericht op de vraag hoe mensen informatie spontaan en onbewust overbrengen in gebaren tijdens het spreken, bijvoorbeeld als ze een brood bestellen bij de bakker.

In haar promotieonderzoek richtte ze zich ook op gezonde mensen, zonder hersenletsel. “Om te weten wat het plafond is, zodat je verwachtingen hebt over wat mensen kunnen uitbeelden in gebaren. Koffie kan je je nog wel voorstellen, democratie wordt al moeilijker.” Om dit in kaart te brengen, bedacht ze een codeerschema. Een tandenborstel kan je uitbeelden door 1) te doen alsof je ‘m vast hebt, 2) met je vinger het object na te doen door over je tanden te wrijven en 3) door de vorm uit te beelden.

Gezonde mensen blijken bijna structureel hetzelfde te doen als zij worden gevraagd iets uit te beelden. Ze kiezen bij de tandenborstel voor de eerste manier, doen alsof je het vast hebt of gebruikt. Moeten ze een iglo uitbeelden, dan doen ze alsof ze het koud hebben en beelden de vorm uit. Een aantal mensen met afasie doet dit hetzelfde, maar er is een groep die die uitsluitend gebruik maakt van die laatste mogelijkheid: het uitbeelden van de vorm. Met de andere twee manieren hebben zij veel moeite.

Begrijpelijkheid

Het maakt sommige mensen met afasie beperkter in informatieoverdracht, maar ze kunnen het dus wel. Alleen, hoe begrijpelijk is het? Om dat te onderzoeken, liet Van Nispen studenten kijken naar filmpjes waar mensen met afasie verschillende dingen uitbeelden. De studenten hadden keuze uit vier opties of kregen een open vraag: wat wordt hier uitgebeeld?

Wat mensen met afasie niet kunnen uitspreken, kunnen ze vaak wel uitbeelden. Uit de vier opties kozen studenten namelijk vaak het juiste antwoord. Moeilijker werd het als de vraag open was: dan was de score laag. Studenten begrepen het kennelijk niet. Of toch? Volgens Van Nispen komt dat vooral doordat de context onduidelijk is. “Die is er in een gesprek wel.” Wat ook niet hielp voor de score: als iemand een bed uitbeeldt, rekende ze het antwoord van ‘kussen’ of ‘slapen’ niet goed. “Terwijl dus wel blijkt dat er veel nuttige informatie zit in gebaren en je met een paar vervolgvragen tot het juiste antwoord zou komen.”

‘Gesprekspartners moeten wat beter opletten’

Van Nispens bevindingen hebben implicaties. Er zit informatie in gebaren, volgens haar onderzoek is dat bij mensen met afasie gemiddeld zelfs 1 op de 5 keer essentiële informatie. Gesprekspartners zouden misschien dus wel wat beter moeten opletten – veel informatie gaat nu simpelweg verloren. Zoals ze in haar proefschrift schrijft: “Communicatie is een gedeelde verantwoordelijkheid tussen zender en ontvanger.” Het is belangrijk dat niet alleen de persoon met afasie moeite doet, juist de gezonde partner is flexibel en kan mogelijk zorgen voor een beter onderling begrip.-

Proefschrift: What can people with aphasia communicate with their hands? A study of representation techniques in pantomime and co-speech gesture.

Promovenda: Karin van Nispen. Studeerde Taal en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht. Van 2011 t/m 2016 deed ze haar promotieonderzoek aan Tilburg University. Tijdens haar promotie werkte ze ook bij Afasiecentra in Aalsmeer en Rotterdam en als docent aan de Hogeschool Rotterdam. Op 19 december 2016 is ze gepromoveerd. Nu werkt ze als docent bij het Department of Communication and Information Sciences. Ze denkt na over vervolgonderzoek naar hoe gesprekspartners omgaan met de gebaren die mensen met afasie maken.

Promoteres: Emiel Krahmer & Mieke van de Sandt-Koenderman.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.