‘In Rwanda is de pijn nog voelbaar’

Studenten van het honorsprogramma van Tilburg University reisden deze zomer af naar Rwanda. Daar bezochten ze een plantage in het zuiden van het land, waar koffie wordt verbouwd door vrouwen die tijdens de genocide van 1994 ten prooi vielen aan seksueel geweld.

De ouders van rechtenstudente Tamara Houweling moesten even slikken toen ze thuis vertelde dat zij en drie medestudenten met wetenschappers Anne-Marie de Brouwer en Eefje de Volder mee op reis naar Rwanda mochten, in het kader van een project waar de studenten aan meewerkten. Zou hun dochter wel veilig zijn in Rwanda, dat land in Midden-Afrika waar onrust tussen Hutu’s en Tutsi’s in 1994 uitmondde in een massaslachting?

“In Nederland kennen we Rwanda vooral van de genocide die er heeft plaatsgevonden. Veel mensen hebben daarom een beetje een eng beeld bij het land”, zegt Houweling. Maar van dat beeld blijkt weinig te kloppen: “Het is ongelooflijk hoe de Rwandezen hun land weer hebben opgebouwd na 1994. Het is er heel veilig en schoon. Plastic tasjes zijn er verboden, het basisonderwijs is gratis, de wegen zijn goed en hiv-remmers worden gratis verstrekt. De termen ‘Hutu’ en ‘Tutsi’ worden niet meer gebruikt. Dat onderscheid willen ze in Rwanda niet meer maken.”

“Overlevenden wonen vaak nog in hetzelfde dorp als hun verkrachters en de moordenaars van hun familie”

Slechte herinneringen

Toch is de pijn nog overal voelbaar in Rwanda, zegt Houweling. “Rwanda is een klein land. Nog een stuk kleiner dan Nederland, met ongeveer twaalf miljoen inwoners. Tijdens de genocide zijn volgens schattingen een miljoen mensen vermoord en een half miljoen mensen verkracht. Dat is enorm.”

Tamara Houweling en haar drie medestudenten—Heleen Ballemans, Thijs van der Vlist en Laurynas Baltrusaitis—spraken tijdens hun reis met vrouwen die de verschrikkingen van 1994 overleefden. “Het was heel heftig om hun verhalen te horen. Vaak wonen ze nog in hetzelfde dorp als hun verkrachters en de moordenaars van hun familie. Dat kun je je bijna niet voorstellen.”

Niet alleen in het dorp, maar ook binnen de muren van hun eigen huis worden de vrouwen constant herinnerd aan de volkerenmoord, vertelt Houweling. “Veel vrouwen kwamen er na de genocide achter dat ze zwanger waren. Enfants de mauvais souvenir, zo worden de kinderen genoemd die uit de verkrachtingen zijn voortgekomen: kinderen van slechte herinneringen. Die kinderen zijn nu vierentwintig, ongeveer even oud als wij.”

“De kinderen die uit de verkrachtingen zijn voortgekomen zijn nu vierentwintig, ongeveer even oud als wij”

Het Bèkske

Op de plantage die de studenten bezochten, verbouwen zo’n tachtig Rwandese vrouwen koffiebonen voor de Tilburgse markt. Het Tilburgs-Rwandese Bèkske, staat er op de papieren zakken waarin de bonen in Nederland over de toonbank gaan. De achterkant van de zakken is bedrukt met een foto en een korte boodschap van één van de vrouwen. Soms Adela, dan weer Adria, Lea, Neria of Sarai. Ze staan breed glimlachend tussen de koffiestruiken.

Het koffieproject is opgezet door onderzoekers Anne-Marie de Brouwer en Eefje de Volder van de universiteit van Tilburg, bedoeld om de zelfredzaamheid te vergroten van Rwandese vrouwen die genocidaal seksueel geweld overleefden. De vrouwen krijgen materialen en trainingen om zelfstandig koffiebonen te kunnen verbouwen. En ze krijgen een eerlijke prijs voor hun koffie — fors meer dan ‘gewone’ fairtradeboeren.

[caption id=”attachment_117314″ align=”aligncenter” width=”100%”> Zojuist geoogste koffiebonen (links), en het eindproduct (rechts)

Traumaverwerking

Met het werk op de plantage verdienen de vrouwen genoeg geld om voor zichzelf en hun kinderen te zorgen. Dat geldt ook voor de vrouwen die lichamelijk verzwakt zijn, bijvoorbeeld door hiv of chronische verwondingen, en daardoor niet in staat zijn om vaker dan één of twee dagen per week op het land te werken. De plantage heeft bovendien een belangrijke sociale functie. “Omdat de vrouwen hetzelfde hebben meegemaakt, helpt het samenzijn op de plantage bij het verwerken van het verleden”, legt Anne-Marie de Brouwer uit.

“Voor deze vrouwen gaat de genocide nooit helemaal voorbij”

Die verwerking blijft nodig. Ruim vierentwintig jaar na de genocide kampen de vrouwen die op de plantage werken nog altijd met de ontwrichtende gevolgen van de gruwelijkheden die zich voltrokken tijdens de honderd dagen dat de volkerenmoord voortduurde. “Voor deze vrouwen gaat de genocide nooit helemaal voorbij”, zegt De Brouwer. “Zij moesten verder met hun leven vanuit een bijna onmogelijke situatie.”

Massaverkrachtingen

De Brouwer doet sinds haar vroege wetenschappelijke carrière onderzoek naar seksueel geweld tijdens de Rwandese genocide. De massaverkrachtingen die tussen april en juli 1994 plaatsvonden gingen gepaard met brute vormen van geweld. “De verkrachtingen gebeurden vaak in het openbaar. Op straat, bij roadblocks of in de bosjes langs de weg. Er werden borsten afgesneden en speren in vagina’s gestoken. Meestal waren er meerdere daders en gingen de verkrachtingen uren- of zelfs dagenlang door.”

Slechts een klein deel van de verkrachtingsslachtoffers overleefde het geweld. De Brouwer schetst de situatie waarin zij zich bevonden toen na de zomer van 1994 het stof van de oorlog was neergedaald: “Je leven is compleet veranderd. Je bent tientallen keren verkracht door meerdere daders, je bent je huis en je bezittingen kwijt, je bent besmet met hiv, je hebt geen familie meer om op terug te vallen en de daders lopen nog rond. Probeer dan maar weer iets op te bouwen. Dat is onvoorstelbaar moeilijk.”

 Nederlandse koffiedrinker

Met haar stichting Mukomeze—wat ‘empower her’ betekent in de nationale taal van Rwanda—ontwikkelde De Brouwer de afgelopen tien jaar verschillende projecten om overlevenden te helpen een nieuw bestaan op te bouwen. Door een koe te schenken, een fruitplantage beschikbaar te stellen of kleine leningen te verstrekken. “Wat het koffieproject speciaal maakt, is dat het product niet in Rwanda blijft maar naar Nederland komt”, zegt De Brouwer. “De Nederlandse koffiedrinker kan zo ook bekend raken met het verhaal van de Rwandese vrouwen.”

De eerste vijfhonderd kilo koffiebonen is in december verscheept naar de branderij in Brabant, en inmiddels is die eerste vracht al goeddeels verkocht. Maar om de bestaanszekerheid van de plantagearbeidsters te waarborgen en om meer vrouwen te kunnen steunen, moet de verkoop worden opgeschroefd. Daarom wordt de afzetmarkt in Tilburg vergroot door studenten die naast hun reguliere bachelor het Outreaching Honors Program volgen, een tweejarig programma voor excellente studenten die hun academische talent willen gebruiken om maatschappelijke problemen te benaderen.

Bondgenootschappen

“We hebben vijf maanden lang marktonderzoek gedaan en we zijn op zoek gegaan naar bedrijven om mee samen te werken, vooral in Tilburg. Cafés, restaurants, musea”, somt Tamara Houweling op. “Dat bleek een behoorlijke uitdaging, omdat veel horecabedrijven contracten hebben met koffieleveranciers waar ze niet zomaar vanaf kunnen stappen. Dan loop je al snel tegen muren aan.”

[caption id=”attachment_117317″ align=”aligncenter” width=”100%”> Het Bèkske wordt aangeboden aan rector magnificus Emile Aarts

Toch is het gelukt om al enkele prille bondgenootschappen te sluiten. “We zijn in gesprek met startups in de Spoorzone en met theater de Nieuwe Vorst”, zegt Houweling. En als het aan de studenten ligt, komt de Rwandese koffie binnenkort ook uit de automaten op de campus. “We willen graag met de universiteit samenwerken. Het zou bijvoorbeeld geweldig zijn als de koffie op een aantal plekken op de campus wordt geschonken, of als Het Bèkske in de kerstpakketten van de universiteit wordt opgenomen. We hebben de koffie al aan de rector aangeboden, en hij was heel enthousiast.”

Het Bèkske wordt vandaag geschonken tijdens de feestelijke opening van het Academisch Jaar 2018. Voor wie daar niet bij kan zijn en niet wil wachten tot kerst: de koffie is ook online te bestellen. Dat doe je hier.Anne-Marie de Brouwer (1975) is een toonaangevende wetenschapper op het gebied van seksueel geweld in oorlogssituaties. Ze promoveerde in 2005 aan Tilburg University op haar onderzoek naar de strafrechtelijke vervolging van seksuele misdrijven in conflictsituaties. Ze is onderzoeker bij INTERVICT, werkte tot 2016 als universitair hoofddocent aan Tilburg Law School en is de oprichter van IMPACT: Center Against Human Trafficking and Sexual Violence in Conflict. Ze adviseert de Verenigde Naties en spreekt regelmatig op internationale congressen. Over seksueel geweld tijdens de Rwandese genocide schreef ze het boek The men who killed me (2009), waarin zeventien verkrachtingsslachtoffers—zestien vrouwen en één man—hun verhaal vertellen. In 2019 verschijnt een nieuwe druk, waarin de geportretteerde overlevenden opnieuw aan het woord komen.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.