Veraardappeling

Tijdens wederom een avond zappen van pulp naar pulp gleden mijn gedachten terug naar een dinsdag in augustus 2007. Ik zat in een grote collegezaal en voor mij stond de decaan. Hij heette ons, honderden eerstejaars uit alle windstreken van het land, welkom aan zijn faculteit. En hij waarschuwde ons direct: pas op voor veraardappeling.

Verbaasde blikken. Hij wist het en speelde ermee. Hij wist dat vereenzaming te stigmatiserend was. Niemand van die zeventien-, achttien- en negentienjarigen, katerachtig of nog halfdronken van de introductieactiviteiten ervoor en verlangend naar het volgende moment waarop zij weer half- of geheeldronken in een kroeg op jacht gingen naar schoon of geluk zou zich aangesproken voelen om niet eenzaam te worden.

Pas op voor vereenzaming voelde als een flyertekst, zo een die direct verloren zou zijn gegaan tussen veel schreeuwerigere flyerteksten als ‘gratis shotjes als je voor 11 uur binnen bent’. Veraardappeling plantte een zaadje, een uitnodiging om verder te denken.

De waarschuwing was niet aan dovemansoren gericht. Ik ben iemand die gemakkelijk om half negen in de ochtend achter zijn bureau gaat zitten om er, met een lunch en avondeten achter de kiezen, om vijf voor negen achter te komen dat ik nog een wandelingetje wilde maken vandaag. Te laat, voor een niet-hondenbezitter.

Waar veraardappeling iets poëtisch had – achteraf kwam ik erachter dat mijn decaan het had ontleend aan de veraardappelende poeet Gerrit Komrij – hebben sense of belonging en loneliness dat niet. Dat zijn de termen waarin onderzoeker Jolien Dopmeijer spreekt over studentenwelzijn, een onderwerp waar ze jarenlang onderzoek naar deed. Dopmeijer zette de laatste jaren met een reeks aan onderzoeken het thema welzijn op de kaart bij universiteiten en studenten.

Volgende maand presenteert ze in haar proefschrift welke drie factoren daar een rol in spelen: naast sense of belonging en loneliness is dat prestatiedruk. Met een beetje goede wil kun je veraardappeling als een koepel van die eerste twee factoren zien. Het is het gevoel geen band te hebben met de gemeenschap, en eenzaamheid.

In deze maanden, waarin veraardappeling voor eenieder op de loer ligt, maakt Dopmeijer zich dan ook grote zorgen over studenten. Contact hebben met de universiteit en met andere studenten is volgens haar ‘essentieel’ voor het welzijn van jonge mensen. ‘Ik vrees ervoor dat heel veel studenten in deze periode klachten ontwikkelen,’ zegt ze.

Mijn decaan, die overigens een van de beste hoogleraren bleek te zijn die ik tijdens mijn studie zou tegenkomen, zal daarvoor niet meer kunnen waarschuwen. Hij is inmiddels geen decaan meer, maar lid van de Hoge Raad. Aan zijn opvolgers de schone taak om niet alleen studenten, maar ook mensen in Den Haag te waarschuwen voor veraardappeling.

Later, toen ik een vriendin kreeg wier vader aardappelboer is, kwam ik erachter dat de metafoor van de veraardappeling intrinsiek niet klopt. Aardappels groeien met zijn tienen tegelijk onder een plant, waardoor van eenzaamheid weinig sprake is. De beeldspraak is echter te mooi om niet meer te gebruiken. Helemaal nu het de heilige plicht is geworden van de Nederlandse staatsburger: ’s avonds op de bank zitten en tv-kijken, naast een vrouw die weet dat de metafoor niet klopt.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.