Vijftig jaar raad

Elke maand plaatst projectleider Academisch Erfgoed Pieter Siebers kenmerkende gebeurtenissen, personen, gebouwen of objecten in historisch perspectief. Deze keer: het vijftigjarig bestaan van de universiteitsraad.

Tim van der Avoird, oud fractievoorzitter PSF (Progressieve Studenten Frarctie), hangt in 1990 verkiezingsposters op

Dit voorjaar is het een halve eeuw geleden dat de hogeschoolraad van start ging, de voorganger van de huidige universiteitsraad. Op vrijdag 25 juni 1971 werd die raad geïnstalleerd. Het was een historisch moment want het was, voor zover na te gaan, de eerste keer in Nederland dat studenten en medewerkers formeel bevoegd werden de universiteit mee te besturen.

Tot dan was het bestuurlijk heft in handen van een curatorium, te vergelijken met een dagelijks bestuur. Voor het wetenschappelijk beleid was echter de senaat verantwoordelijk, waarin alle hoogleraren van de hogeschool zitting hadden.

Het was een duaal stelsel dat steeds meer kritiek te verduren kreeg, niet in het laatst van Tilburgse studenten. Die ijverden voor een meer democratische instelling, waar ook studenten en medewerkers iets te zeggen zouden hebben over beleid, bestuur en beheer van de hogeschool. Het waren de jaren in het Westen van verzet tegen de gevestigde orde, op allerlei niveaus. De eerste tekenen daarvan waren te vinden in 1964, op de campus van de universiteit van California, in het stadje Berkeley. Daar vond een bezetting plaats van het bestuursgebouw Sproul Hall door studenten die protesteerden tegen het verbod van de universiteit op activiteiten als die van de Free Speech Movement. In 1968 vonden bezettingen plaats van de universiteiten van onder andere Parijs en Leuven, eveneens in het teken van een afkeer van de macht en de klassieke elite.

Bezetting

In die geest vond ook de eerste Nederlandse bezetting van een universitaire plaats, in Tilburg. Van 28 april tot 7 mei werd de toenmalige Katholieke Hogeschool bezet door studenten die veranderingen eisten in het bestuur én het onderwijs van de universiteit. In andere universiteitssteden als Amsterdam en Nijmegen waren al eerder acties gevoerd voor democratisering, maar in Tilburg kwam het tot een bezetting doordat het curatorium weigerde om zich uit te laten over de zogeheten ‘Nota van 21’. Die was opgesteld door studenten, samen met medewerkers en een aantal hoogleraren. De nota werd op 24 maart 1969 gepresenteerd en bepleitte een gekozen, paritair samengestelde hogeschoolraad met daarin 12 studenten, 5 medewerkers en 4 hoogleraren.

Bezetting van het Cobbenhagengebouw in 1969

De bezetting sorteerde effect: het curatorium en de senaat onderschreven op 7 mei de eis van de bezetters: medebeslissingsrecht voor alle geledingen op alle niveaus. Bezettingen als die in Tilburg vonden ook plaats in Amsterdam en Nijmegen en in Eindhoven werd een voorlopige hogeschoolraad ingericht. De onstuitbare dynamiek van het studentenprotest droeg sterk bij aan de komst in 1970 van de Wet Universitair Bestuur (WUB) van minister Veringa. Met de WUB was de ‘radenuniversiteit’ een feit. Niet alleen een hogeschoolraad, maar ook raden in de faculteiten en vakgroepen. Het gevolg daarvan was inderdaad, zoals de toenmalige waarnemend president-curator prof. dr. Hans Bosman (een functie vergelijkbaar met die van collegevoorzitter) tijdens de installatiebijeenkomst zei, een drastische beperking van de invloed van hoogleraren op onderwijs en onderzoek.

Gebrek aan kandidaten

Al in het eerste jaar beek de prille democratie echter kwetsbaar. De verkiezingen voor studentleden in april 1972 konden niet doorgaan, vanwege een gebrek aan kandidaten. Een evaluatiecommissie stelde vast dat er een vaag beeld bestond van wat de hogeschoolraad deed, dat de kracht en invloed van de raad niet hoog werden geschat en ook dat de raad de neiging vertoonde zich in zichzelf terug te trekken.

Historicus De Vries zei het in deel II van de universitaire geschiedschrijving zo: “Meeslepend was dit alles niet, slepend eerder, meer dan onder het oude bestel, maar het bezat onbewimpeld iets groots in de gemeenschappelijke poging tot besturen en verwezenlijken van de democratie, waaraan een element van leerprocessen inherent was.”

De kritiek op de raad was in alle universiteitssteden te horen, en kwam ook uit de mond van de opvolger van Veringa, de CHU-er Chris van Veen. Citaat: “Een universiteit moet je niet laten besturen door studenten. Het gaat fout du moment je een werknemer op de stoel van de directie zet”. Een IVA-onderzoek uit 1978 stelde vast dat met name hoogleraren negatief oordeelden over de vraag of onderwijs en onderzoek onder de nieuwe wet doelmatig zou kunnen worden uitgevoerd. In 1974 spreekt rector magnificus Gert Nielen in het Nieuwsblad van het Zuiden dan ook niet alleen voor zichzelf als hij laat optekenen ‘structurele minachting’ voor de raad te hebben. En meteen maar zelf opstapt als rector magnificus.

Ronduit lof

Bij al die tegenwind kon echter ook vastgesteld worden dat de wetenschappers die daadwerkelijk hadden geparticipeerd in de structuur een stuk positiever waren. En Cees Scheffer, de eerste rector magnificus die met de raad te maken kreeg en die dus de oude en nieuwe situatie goed kon vergelijken, uitte in 1973 ronduit lof. Hij noemt bij zijn afscheid het samenspel tussen raad en college een verademing ten opzichte van de verhoudingen in het dualistische verleden en prijst de ‘constructieve en geëngageerde opstelling van de individuele leden van de raad’. En historicus De Vries, die zich niet altijd even ingenomen toonde met de bestuurlijke vernieuwing moet in 1977 toch ook concluderen dat het de raad niet ontbrak aan kundige studentleden, die “zich als verrassend goede parlementariërs ontpopten”.

De discussie over het functioneren van de raad is wat verstomd. De raden zelf zijn mogelijk nog het meest kritisch. In politiek Nederland wordt nu en dan wel bepleit dat de universiteit behoefte heeft aan een bestuursstructuur zoals die vaak in bedrijven te vinden is, maar een issue is het niet. De kwestie is dat de universitaire democratie, ook na enkele wetswijzigingen, zeker niet disfunctioneert. Het is dan ook slechts een enkeling die meent dat afschaffing van die ooit zo zwaarbevochten bestuursstructuur zou leiden tot betere tijden.

Toffe peer

Tilburg is na een halve eeuw het gekrakeel uit de bezettingsperiode wel te boven. Niet alleen is de opkomst bij verkiezingen het hoogst in het land, ook mocht de universiteit in 2015 de ‘Toffe Peer’ in ontvangst mocht nemen. Deze prijs voor goede medezeggenschap kreeg het College van Bestuur van Het Landelijk Overleg Fracties voor het vroegtijdig betrekken van fracties bij beslissingen en voor het vervolgens ook daadwerkelijk iets doen met hun advies. Het kan verkeren.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.