De academische vrijheid staat onder druk, maar dat komt niet (alleen) door de usual suspects

De academische vrijheid staat onder druk, maar dat komt niet (alleen) door de usual suspects

Er zijn jaren geweest dat academici met meer gemoedsrust hun vak konden uitoefenen. Zo kreeg historica Nadia Bouras van de Erasmus Universiteit een sticker op haar voordeur van Vizier op Links waarop stond dat haar huis een ‘geobserveerde locatie’ was. Het roept de vraag op of de academische vrijheid in Nederland onder druk staat, en als dat zo is, waar dat door wordt veroorzaakt. Univers sprak erover met politiek filosoof en opleidingsdirecteur van de bachelor Filosofie Dries Deweer en onderzoeker en promovenda post-truth politiek Natascha Rietdijk.

Beeld Pexels / Andrea Piacquadio

Ultra- en extreemrechtse bewegingen enerzijds en anderzijds complotdenkers: twee groepen die het bepaald niet ophebben met de academische gemeenschap. Terwijl je de twee groepen in ideologisch opzicht niet per se dicht bij elkaar zou plaatsen.

Toch hebben de twee volgens Rietdijk wel degelijk gemeenschappelijke waarden. “Bij mijn onderzoek naar anti-vaccinatiebewegingen in Italië zag ik een soort anti-autoritaire houding, een anti-institutionele houding. Tegelijkertijd worden de leiders van die bewegingen gezien als potentiële autoriteit van de toekomst.

“De overlap tussen complotdenken en populisme ligt in een wantrouwen van de bestaande autoriteiten, een wantrouwen tegenover de mainstream media, de mainstream politiek en de bestaande instituties”, zegt Rietdijk.

“Dat zie je ook terug bij wat zich in Nederland voordoet. Rechtsextremisten en -populisten kunnen wel autoriteit erkennen maar dat is enkel de autoriteit van hun politieke leider. En die leiders presenteren zichzelf ook als enige mogelijke legitieme autoriteit.”

Daarbij heeft de dynamiek die social media in het publieke debat brengen, een versterkend effect, vindt Rietdijk. “Eén van de problemen met social media is dat je content krijgt voorgeschoteld die op jou is afgesteld. Dus als je al in radicale kringen verkeert, wordt dat door de berichten die je onder ogen krijgt, alleen maar erger.

“Dus als je berichten krijgt te zien waarbij de autoriteit van wetenschappers wordt betwijfeld, zet dat je ertoe aan om meer artikelen van soortgelijke strekking te lezen. Zo wordt nepnieuws verspreiden makkelijker, omdat er geen gate keeper is.”

Positieve invloed

Toch hebben de sociale media vooral positieve invloed op de positie van academici in het publieke debat. De kloof tussen burger en academicus wordt er kleiner door. “Door social media hebben academici meer toegang tot een podium”, zegt Dries Deweer.

“Daardoor kunnen ze veel meer zelf het initiatief nemen om deel te nemen aan het maatschappelijk debat. Dat heeft ook een keerzijde: namelijk dat je veel meer bagger over je heen krijgt. Dat is natuurlijk betreurenswaardig. Maar als je de voor- en nadelen tegen elkaar afstreept, dan denk ik niet dat je kan zeggen dat dit een negatieve ontwikkeling is”, zegt Deweer.

Spreken als academicus

Met de toegang tot een podium verandert wel de taak van een academicus of wetenschapper, vindt Deweer. Een academische titel betekent namelijk niet dat je van elk onderwerp waarover je je mening uit meer verstand hebt dan iemand zonder zo’n titel. “Onze taak is dus complexer geworden. Want door de toegang tot die spreekwoordelijke megafoon kunnen we over van alles onze mening spuien. Dus ook over zaken waar onze academische expertise niet ligt. En op zich mag dat, academici moeten zich niet inhouden hun mening te ventileren, want zij zijn ook burgers en hebben dat recht.”

“Maar die mening krijgt soms onterecht veel gewicht door een academische titel. Buiten het domein van de academische expertise, is de mening van een academicus niet noodzakelijk meer of minder geloofwaardig dan die van een burger. Ik pleit daarom wel voor het expliciteren van wanneer iemand als academicus spreekt, en wanneer niet”, zegt de politiek filosoof.

Wetenschappers zijn door de coronacrisis namelijk het middelpunt van de belangstelling geworden. “Wetenschappers hebben ineens een historisch zichtbare impact op het dagelijks leven van iedereen”, gaat Deweer verder. “Als die invloed zo zichtbaar is, dan ben je ook eerder het mikpunt van frustraties. Op zich is dat niet vreemd of reden tot bezorgdheid.”

Hij trekt de streep bij bedreigingen van “iemand fysieke integriteit. Dat mogen we nooit accepteren. Die situatie is volstrekt onaanvaardbaar.” Maar het komt volgens Deweer gelukkig zelden voor. “Ik denk niet dat je daar te veel conclusies uit moet trekken.”

Kleine groepen

Daarmee is Rietdijk het volmondig eens. “Het is belangrijk te benadrukken dat de groepen waar we het over hebben, heel klein zijn. Ze krijgen veel media-aandacht, wat het beeld kan vervormen, zodat het lijkt dat het over een grote groep gaat. Toch kunnen ook kleine groepen veel invloed hebben.

“Een Vizier op Links bijvoorbeeld voelt heel erg bedreigend. Ze zeggen zelf dat het niet zo is bedoeld. Maar min of meer wordt gezegd: ‘we houden je in de gaten’. Dat is natuurlijk een heel vervelend gevoel als je vrij je onderzoek wilt doen, maar zo toch het gevoel krijgt dat je op je woorden moet letten.”

Onderfinanciering

Volgens Deweer zijn andere factoren van meer doorslaggevende invloed op het werk van academici. En dat gaat simpelweg over financiering. “Er is sprake van onderfinanciering van het wetenschappelijk onderwijs en de daarmee gepaard gaande werkdruk. Daarbij krijgen universiteiten per student steeds een lagere vergoeding.

“Wat dus veel meer maatschappelijke schade berokkent, is dat academici vandaag eigenlijk geen tijd meer hebben om zich te mengen in het maatschappelijk debat. Onderwijstaken nemen veel meer tijd in beslag. Ook wordt deelname aan dat maatschappelijk debat totaal niet meegenomen in hoe je functioneren als academicus wordt beoordeeld.”

“Bij het toekennen van onderzoeksfinanciering, wordt de nadruk heel erg gelegd op wetenschappelijk A-publicaties”, gaat Deweer verder. “Daardoor is er minder tijd om wetenschappelijke inzichten te vertalen naar maatschappelijke implicaties. Dat heeft veel meer invloed op academische vrijheid.

“Er is op dat vlak wel wat goede beweging. Er is een project over erkennen en waarderen aan de universiteit wat aandacht geeft aan die punten. Maar het is een eerste stap, er moeten er nog veel gezet worden”, aldus Deweer.

Self-fulfilling prophecy

Ook Rietdijk sluit zich daarbij aan. “Als PhD-student is mijn onderzoek voor de komende jaren al gefinancierd en mijn onderwijslast valt mee. Maar wat ik zie bij mijn senior-collega’s is dat twee dingen hen ervan weerhouden goed onderzoek te doen: onderwijsfinanciering en de hoge onderwijslast. En dat hangt samen. Dat heeft veel meer invloed op hoe goed we ons werk kunnen doen dan enkele bedreigingen.

“Daarbij denk ik dat ook wordt overdreven hoe gepolariseerd Nederland is. Het kan ook een soort self-fulfilling prophecy worden als je als academicus steeds zegt dat de maatschappij steeds verder polariseert. Mensen kunnen gevoelig zijn voor dat soort uitspraken en daardoor het gevoel krijgen dat ze móeten polariseren.

“Als we het hebben over dagelijkse impact heeft de manier en de mate van onderzoeksfinanciering een grotere impact op de academische vrijheid dan bedreigingen.”

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.