De Tilburgse Nacht van de Filosofie was een vruchtbare avond vol prikkelende reflecties

De Tilburgse Nacht van de Filosofie was een vruchtbare avond vol prikkelende reflecties

Intimiteit en vreemdheid: twee woorden die in eerste instantie onverenigbaar lijken. Toch is Intieme Vreemden dit jaar het thema van De Maand van de Filosofie. Een onderwerp dat de tongen losmaakt, bleek tijdens de Tilburgse Nacht van de Filosofie. Univers was erbij en bespreekt twee hoogtepunten.

Robert Putnam op de Tilburgse Nacht van de Filosofie. Beeld: Jack Tummers

Het was druk in de LocHal, waar filosofen en filosofieliefhebbers vrijdagavond samenkwamen. De avond bestond voor het grootste deel uit acht lezingen verdeeld over twee zalen. In de kleinere ruimte, genaamd de Werkplaats, kwamen de filosofen van Tilburg University aan het woord. Zo spraken Maureen Sie en Stefaan Blancke over de ironie van de vrije wil en hield Herman de Regt een gepassioneerd betoog over de waarde van de wetenschappelijke methode.

In de grotere Glazen Zaal stonden sprekers van buiten Tilburg, zoals filosoof Jan Drost, wiens vlotte relaas over de liefde tot nadenken stemde. Ook de taalspellen van dichter en woordkunstenaar Maud Vanhauwaert spraken aan. Maar vóór Drost en Vanhauwaert het podium betraden, was het de beurt aan twee denkers van formaat.

Upswing

Eén van deze twee denkers was Robert Putnam, vooraanstaand Amerikaans socioloog die onder meer bekend is van zijn boek Bowling Alone. Als eerste spreker van de avond kwam hij vertellen over zijn nieuwe boek Upswing, waarin hij ingaat op de verweesde samenleving die de Verenigde Staten tegenwoordig zijn. Maar meer nog dan dat, is het een verhaal van hoop.

“America is in a pickle,” zo opent Putnam de lezing, doelend op het feit dat zijn land er slecht aan toe is. Er is meer economische ongelijkheid en politieke polarisatie dan ooit tevoren, nog nooit zijn Amerikanen zó sociaal geïsoleerd geweest en het cultureel egocentrisme beleeft haar hoogtijdagen, aldus Putnam. Er is, kortom, een enorm gebrek aan gemeenschapsgevoel binnen het land.

Robert Putnam op de Tilburgse Nacht van de Filosofie. Beeld: Jack Tummers

Aan de hand van verschillende slides laat hij zien dat zijn land eerder op dit dieptepunt is geweest – aan het eind van de 19e eeuw. Ook toen was het slecht gesteld met de Verenigde Staten en waren mensen ontzettend individualistisch. Maar in de jaren die daarop volgden, zo toont Putnam aan, was er sprake van een flinke opleving in gemeenschapszin, met een piek rond 1960. Dit betekent een zeventig jaar durende bloei van het collectief. Daarna begon de dalende trend die tot op de dag van vandaag doorzet.

Wat deden de Amerikanen van toen waardoor het gemeenschapsgevoel zo opleefde? Het antwoord begint volgens Putnam niet bij economische vooruitgang maar bij een morele mentaliteitsverandering bij de burger zelf. Vanaf 1890 begonnen de Amerikanen zich bewust te worden van hun eigen moraliteit en de waarden die daarbij pasten. Ze begonnen na te denken over wat ze aan elkaar verschuldigd zijn en beseften dat ze niet in een wereld wilden leven die werd gedomineerd door het recht van de sterkste.

Een ander noemenswaardig aspect, zegt Putnam, is dat deze omslag werd gedreven door jongeren. Deze groep denkt nog outside of the box, terwijl oudere generaties deze flexibele denkvaardigheid niet meer zouden hebben. Tot slot zou de wending met name zijn voortgekomen uit lokale innovaties, zogenaamde grassroots-bewegingen. Men wachtte niet op overheidsingrijpen en nam het heft in eigen hand middels het opzetten van verenigingen en organisaties. Charismatische leiders als Theodore Roosevelt verschenen pas op het toneel toen de sociale bewegingen al in volle gang waren.

Putnam denkt dat we onze lessen moeten trekken uit deze pagina’s van de Amerikaanse geschiedenis. Hij is ervan overtuigd dat als we dat doen, de Verenigde Staten – en in zekere mate geldt dit ook voor het geïndividualiseerde Nederland – opnieuw zo’n bloeiperiode kunnen realiseren. Eén ding is volgens hem duidelijk: oplossingen moeten vanuit de burger komen.

Intieme vreemden

Putnam werd afgelost door Paul Verhaeghe. De Belgische psychoanalyticus had dit jaar de eer om het essay Intieme Vreemden voor de Maand van de Filosofie te schrijven. Verhaeghe nam tijdens zijn lezing uitgebreid de tijd om aan zijn publiek uit te leggen waarom de woorden intimiteit en vreemdheid – ondanks hun definitie – erg goed bij elkaar passen. Met een verwijzing naar Freuds begrip van das Unheimliche zette Verhaeghe de toon van zijn lezing: “Dat wat ons bekend en intiem voorkomt, kan tegelijkertijd ook vreemd aanvoelen”.

Verhaeghe stelt dat in ieder mens twee verschillende soorten oerkrachten (energieën) huizen. Allereerst kent men de behoefte aan intimiteit die ervoor zorgt dat we dicht bij de persoon willen zijn van wie we houden. Freud noemde dit de erosdrift. Het individu vindt zijn ultieme geluk wanneer het zich kan versmelten met een geliefde. Dit kan soms heel herkenbaar zijn, legt Verhaeghe uit: “Iedereen kent bijvoorbeeld wel het gezegde ‘Ik zou je op willen eten’. Het is een opvallende uitspraak omdat het versmelten met een ander hier letterlijk benoemd wordt”.

Paul Verhaeghe op de Tilburgse Nacht van de Filosofie. Beeld: Jack Tummers

Een ander tastbaar voorbeeld van de erosdrift, is volgens Verhaeghe de menselijke zoektocht naar een ‘wederhelft’: “Het woord ‘weder-helft’ veronderstelt min of meer dat twee individuen kunnen samensmelten tot één eenheid”.

Maar er schuilt ook een gevaar in dit verlangen. Men kan namelijk volledig in zijn of haar relatie opgaan waardoor er van het individu zelf niet zoveel meer overblijft. Om zijn stelling kracht bij te zetten, vraagt Verhaeghe zich dan ook hardop af hoeveel mensen er wel niet een goede vriend(in) uit het oog zijn verloren nadat deze een relatie kreeg.

De mens kent naast de behoefte aan intimiteit ook een extreem verlangen naar autonomie. “Niets is de mens zo bekend als de behoefte om zijn ‘eigen ding’ te willen doen”, legt de psychoanalyticus uit. Het gaat hier om een behoefte waarbij de mens zich van zijn omgeving wil afzonderen. Maar deze zogenoemde thanatosdrift wordt volgens Verhaeghe onterecht begrepen als een agressiedrift. Velen hebben volgens hem het werk van Freud verkeerd geïnterpreteerd: “Ondanks dat thanatos in het Oud-Grieks ‘de dood’ betekent, heeft Freud nooit beweerd dat sterven een ultiem levensdoel is”.

Het zit volgens Verhaeghe dan ook anders in elkaar: “De erosdrift zorgt voor een groot spanningsveld dat gevoed wordt door de behoefte om bij iemand te zijn. De thanatosdrift wil daarentegen dit samensmelten juist de rug toekeren. De wrijving van deze tegenstrijdige energieën zorgt voor een ontlading waarin alle opgebouwde spanningen vrijkomen. Volgens Freud met het onvermijdelijke gevolg dat het organisme sterft.” De dood is volgens Verhaeghe dan ook geen doel maar een onontkoombare consequentie.

Niet iedereen begreep direct wat Verhaeghe hiermee bedoelde. Op de vraag of hij dit principe nog eens kon toelichten, antwoordde hij: “Seks is een duidelijk voorbeeld van deze theorie. Tijdens het vrijen worden energieën opgebouwd en uitgewisseld. Dit resulteert uiteindelijk in een ontlading van alle spanningen. Na deze ontlading is alles voorbij. Zegt het ‘orgasme’ jullie iets?”. Een uitleg die iedereen in de zaal onmiddellijk begreep.

Vreemdheid en intimiteit; woorden waarvan de definities – dankzij de lezing van Verhaeghe – verenigbaarder zijn dan ooit tevoren. Wie had dat ooit gedacht?

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.