Waarom ik feminist ben geworden

Ik ben feminist geworden. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik even op het internet moest speuren of mannen ook feminist kunnen zijn. Maar dat was geen probleem.

Het begon een aantal weken geleden te broeien. Voor Univers sprak ik vijf vrouwelijke wetenschappers over de ondervertegenwoordiging van vrouwen in hogere posities. Daar rolden stuk voor stuk interessante gesprekken uit, die mijn ogen steeds verder openden.

De ongelijkheid tussen mannen en vrouwen is pijnlijk zichtbaar op de universiteit. Zeventien procent van onze hoogleraren is vrouw. Een schrijnend aantal, maar logisch te verklaren door de cultuur die aan universiteiten hoogtij viert: oude mannen die andere oude mannen benoemen tot hoogleraar. Niet eens bewust, ze zijn ervan overtuigd dat mannen de kwaliteiten bezitten die nodig zijn voor zo’n post. Om dat op te lossen is onze universiteit een diversiteitsprogramma gestart. Kortweg: een vrouwenquotum om meer vrouwelijke hoogleraren te benoemen. Dat stuit op weerstand bij een deel van de mannen (en vrouwen). Die zijn tegen quota en willen benoemen op kwaliteit. Maar zij maken een fundamentele denkfout. Het is niet zo dat als je niets doet, het neutraal is. We weten dat er impliciete discriminatie is ten gunste van mannen. Mannen worden voorgetrokken. Als je niet bijstuurt, houd je dat in stand.

En dat is lastig. Want het idee dat mannen superieur zijn aan vrouwen, zit diepgeworteld in onze cultuur. Mannen zijn professor. Vrouwen secretaresse. Treffend voorbeeld zijn studentevaluaties. Vrouwelijke docenten worden structureel minder hoog beoordeeld dan mannelijke. Waarom? Als vrouwen gedreven en veeleisend zijn, vinden studenten dat niet passen bij een vrouw. Ze associëren het vrouw-zijn met andere eigenschappen. Dus de mannelijke docent scoort hoger. Het wordt erger: vrouwen conformeren zich onbewust aan hoe de maatschappij ze ziet. Onderzoekers lieten vrouwen een wiskundetentamen maken. Wat blijkt: als vrouwen hun naam boven het vel moeten opschrijven, scoren ze slechter dan wanneer ze dat niet hoeven. Doordat ze hun naam opschrijven, worden ze zich bewust van hun vrouw-zijn, wat gepaard gaat met vooroordelen: slecht in wiskunde zijn.

Deze problematiek kunnen we uit de universiteit trekken en in de samenleving plaatsen. Als er ergens iets misgaat, wordt nooit de vraag gesteld of het misschien komt doordat mannen de boel opfokken. Neem de bankencrisis in 2008 als voorbeeld. Alles stort in. Er komt niet eens een discussie op gang of het wellicht tijd is voor wat vrouwen in de bankentop. Nee, dat kunnen we ons toch niet voorstellen. Een vrouw die de baas is over het geld. Dus mogen mannen het nog een keertje proberen. En neem het aantal moorden dat in Nederland wordt gepleegd. In 91 procent van de gevallen is een man de moordenaar. Maar wij focussen op geloofsovertuiging en etnische achtergrond. Niemand die zegt: ‘het is wéér een man.’ Mannen worden op een voetstuk geplaatst en niemand weet waarom.

Het is duidelijk: bepaalde mechanismen, die niet altijd duidelijk zichtbaar zijn, zorgen ervoor dat vrouwen structureel minder kansen krijgen dan mannen.

En dan moet het ergste nog komen. Vrouwen worden stelselmatig seksueel geïntimideerd, of erger: aangerand en verkracht. Door mannen. Nee beste mensen, niet alleen in Hollywood, ook in ons kikkerlandje. In de glamourwereld, maar ook gewoon buiten op straat. Op de werkvloer. Aan de universiteit. Dan kunnen we twee dingen doen. Dat bagatelliseren, zoals Harrie Verbon in zijn column voor Univers. Of als man-zijnde eens even héél lang in de spiegel kijken. Ja, ik weet het, het is eng. Het is pijnlijk. Misschien zelfs confronterend. Maar mannen: neem voor één keer eens de goede beslissing. Het is zoveel mannelijker om je uit te spreken tegen vrouwenongelijkheid, dan net te doen alsof er niets aan de hand is.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.