Op een reünie merk je hoe verschillend levens kunnen lopen
Vorige week bezocht Antje Beers de reünie van haar basisschool. Wat begon als een praktisch geregel van vergunningen en een frietkraam, groeide uit tot een terugkeer naar een plek waar herinneringen, nostalgie en het verstrijken van de tijd zich tegelijk lieten voelen.

Vorige week was het dan zover: de reünie van mijn basisschool. Eerder schreef ik over alle vergunningen die we moesten aanvragen om dit voor elkaar te krijgen. Goed nieuws: uiteindelijk hadden we een frietkraam. Niet op de weg, want een standplaatsvergunning bleek een brug te ver, maar op het schoolplein. Toen ik daar rondliep, viel mijn oog steeds opnieuw op de borden van het parkeerverbod. Ze gaven me gek genoeg een gevoel van blijdschap en opluchting. Na maanden van formulieren, telefoontjes en van afdeling naar afdeling gestuurd te worden, was het gelukt.
Dat ging niet zonder slag of stoot. Om als vrijwilliger een evenement te organiseren, moet je bijna een fulltime baan vrijmaken. Op een gegeven moment wist ik niet meer of ik een reünie organiseerde of een extra keuzevak bestuursrecht in de praktijk aan het volgen was. Het systeem is zo ingewikkeld geworden, de regeldruk zo hoog, dat het enthousiasme er soms langzaam uit wordt gedrukt.
Maar goed, terug naar waar het eigenlijk om draaide: de reünie zelf.
Alleen al het binnenlopen van het gebouw was bijzonder. De gangen, de lokalen, de kapstokken. Alles leek kleiner dan vroeger, maar tegelijkertijd vertrouwd. En dan die geur. Zo’n typische schoolgeur die ergens diep in je geheugen ligt opgeslagen en in één klap alles terugbrengt. Het is vreemd om te beseffen dat je hier ooit een groot deel van je week doorbracht.
Het voelde warm om oud juffen en meesters weer te zien. Alsof er niets veranderd was, en tegelijkertijd alles. Je spreekt ze nu als volwassene, maar ergens blijf je toch dat kind dat zijn hand opsteekt. Tegelijkertijd zat er ook een andere kant aan de nostalgie. Want niet iedereen was er nog. Het besef van ouder worden kwam misschien wel het hardst binnen, als je vraagt: “Hé, hoe is het eigenlijk met die en die?” en er dan een korte stilte valt. Een blik die even wordt uitgewisseld. En dan het antwoord, dat diegene ons inmiddels is ontvallen. Op zo’n moment merk je dat niet alleen wij ouder zijn geworden, maar dat ook de tijd zelf is doorgelopen. Het confronteert je met de vergankelijkheid van het leven.
Op een reünie merk je bovendien hoe verschillend levens kunnen lopen. Waar de een net aan een nieuwe studie begint, is de ander al huizen aan het bezichtigen of zelfs kinderen aan het krijgen. Midden twintig is zo’n leeftijd waarbij veel nog open ligt, maar tegelijkertijd het leven al duidelijke vormen begint aan te nemen.
Dat contrast is misschien wel het meest fascinerend van zo’n reünie. Dat je elkaar weer ziet in een gebouw waar weinig is veranderd en het lijkt alsof de tijd heeft stilgestaan, maar je tegelijkertijd beseft hoe verschillend het leven voor iedereen is gaan lopen. Dat er weliswaar een gedeeld begin is, ergens in die klaslokalen, maar dat iedereen daarna zijn eigen kant op is gegaan, en misschien wel steeds meer is geworden wie hij of zij ergens altijd al was.
