Nationale slavernijherdenking: meer aandacht nodig voor de blanke Nederlander

Nationale slavernijherdenking: meer aandacht nodig voor de blanke Nederlander

Jaarlijks herdenken we op 1 juli de afschaffing van de slavernij door Nederland. De nadruk ligt daarbij vaak op de slachtoffers. Dat klopt niet bij een nationale herdenking, zeggen TiU-promovendi Deborah de Koning en Martijn Stoutjesdijk. “Insluiting van de blanke Nederlander is nodig.”

Nederland schafte de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen af op 1 juli 1863. Daarom is 1 juli omgedoopt tot nationale herdenkingsdag. Sinds 2002 staat in Amsterdam een nationaal monument slavernijverleden, daar vindt de jaarlijkse herdenking plaats. Dat leidde al vaker tot heftige protesten door Antilliaans en Surinaams publiek. Ook dit jaar weer.

Rituelen

De heftigheid van de protesten verbaast De Koning en Stoutjesdijk niet. Rituelen, zeggen zij in het Nederlands Dagblad, gaan over in- en uitsluiting. Een ritueel herdenkt altijd bepaalde groepen en gebeurtenissen, maar andere niet. “Het sluit in, maar sluit daardoor tegelijkertijd ook uit.”

Deborah de Koning en Martijn Stoutjesdijk

Deborah de Koning en Martijn Stoutjesdijk

Niet alleen de demonstranten voelden zich volgens De Koning en Stoutjesdijk miskend. Dat gold ook voor de overige aanwezigen, laten de twee promovendi aan Univers weten. Zij waren er ook bij.

“De herdenking beoogt een nationale herdenking te zijn”, zeggen ze. “Nationale herdenkingen zijn gestoeld op een ‘collective memory’.” Maar terwijl alle Nederlanders historisch gezien onderdeel uitmaken van het slavernijverleden, leek 30 juni dat ze dat niet zijn. Dat klopt volgens De Koning en Stoutjesdijk niet: “Een bewustwording van ‘ons’ slavernijverleden moet er niet enkel zijn vanuit de slachtoffergroep. Het insluiten van de ‘blanke Nederlander’ en een grotere rol voor hen in deze herdenking zijn nodig om het een nationale herdenking te laten zijn.”

Andere belevingswereld

Lastig is dat de huidige generatie Nederlanders overwegend niet zo’n sterke gevoelens heeft over het slavernijverleden. Om de nationale herdenking beter te laten aansluiten op hun belevingswereld, zou bij de herdenking volgens De Koning en Stoutjesdijk ook gekeken moeten worden naar andere en/of moderne vormen van slavernij. “Zonder het verleden uit te vlakken, maar wel om heden, verleden en toekomst aan elkaar te verbinden.”

“De gezamenlijke toekomst van de herdenking is nog ver weg.”

Van het motto van het slavernijmonument (‘Gedeeld verleden, gezamenlijke toekomst’) zien De Koning en Stoutjesdijk voorlopig niet veel terecht komen. “De gebeurtenissen van afgelopen donderdag leerden ons dat de gezamenlijke toekomst van de herdenking nog ver weg is.” De herdenking lijkt de verdeeldheid nu alleen maar groter te maken.

Protesten bij het slavernijmonument

De onthulling van het monument in 2002 was alleen voor genodigden. Met hekken en politiekordons werd het grotendeels Antilliaanse en Surinaamse publiek geweerd van de plechtigheid. Ook dit jaar was er veel ophef. Het kennisinstituut over slavernij (het NiNsee) besloot de herdenking en het bevrijdingsfestival te spreiden over twee dagen (30 juni en 1 juli). Het NiNsee wilde namelijk dat deze twee dagen dezelfde status krijgen als de 4 en 5 mei-viering.

Daar was een grote groep Antilliaanse en Surinaamse demonstranten het niet mee eens. Zij vinden dat de activiteiten op 1 juli moeten plaatsvinden. Met veel herrie verstoorden demonstraten de herdenking met fluitjes, geroep en gezang. Zelfs de twee minuten stilte bleven niet stil.

Deborah de Koning en Martijn Stoutjesdijk doen beiden promotieonderzoek aan Tilburg University, op het gebied van rituelen, religie en slavernij.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.