Tilburgse psychologiestudent Feray Coban vangt ’s nachts eenzame bellers op
Waar veel studenten hun vrije tijd besteden aan sociale activiteiten, kiest masterstudent psychologie Feray Coban voor een andere invulling. Als vrijwilliger bij de Luisterlijn spreekt ze met mensen die hun verhaal anoniem willen delen, op elk moment van de dag – en nacht.

Op de universiteit, bij haar opleiding psychologie, leert Feray Coban (22) over psychologische stoornissen. ‘Ik leer bijvoorbeeld wat kenmerken zijn van narcisme of borderline. Maar dat blijft vaak bij theorie. Ik was benieuwd hoe dat er in echte gesprekken uitziet.’ Om de praktijk op te zoeken, ging Coban aan de slag bij de Luisterlijn.
Bij de Luisterlijn draait Coban beldiensten van vier uur, op verschillende momenten van de dag. Eén keer per maand moet ze een nachtdienst draaien. ‘Dat zijn diensten van elf uur ’s avonds tot drie uur ’s nachts, of van drie uur ’s nachts tot zeven uur ’s ochtends. Dat is best pittig, zeker naast mijn studie en werk.’
Haar theoretische kennis staat niet centraal in de gesprekken, merkte ze al snel. ‘Als iemand zegt: mijn ex was narcistisch, ga ik dat niet uitleggen. Ik vraag juist: hoe merkte jij dat? Wat deed dat met je? Het gaat niet om wat ik weet, maar om hoe iemand het zelf heeft ervaren.’
Training
De Luisterlijn is een landelijke hulplijn met zo’n twintig regio’s, waar mensen 24 uur per dag, zeven dagen per week via telefoon of chat terechtkunnen om hun verhaal te delen. Vrijwilligers bieden geen oplossingen, maar luisteren. Coban is actief in de regio Noord-Brabant en kwam via een huisgenoot met de organisatie in aanraking.
Voordat Coban zelfstandig gesprekken mocht voeren, volgde ze een training van bijna twee maanden. Daar oefende ze met realistische scenario’s, waarbij ervaren vrijwilligers zich voordeden als bellers.
In die gesprekken leerde ze vooral waar haar eigen grenzen liggen. ‘In één oefening speelde iemand een beller die steeds persoonlijkere vragen stelde, zoals waar ik woon en werk. Dan vraag je jezelf af: waar ligt mijn grens? Wat deel ik wel en wat niet?’
Ook kwam ze situaties tegen waarin ze duidelijk moest ingrijpen. ‘We oefenden bijvoorbeeld met een seksbeller. Dan moet je op een gegeven moment zeggen: dit gesprek gaat de verkeerde kant op, ik ga ophangen.’
Diensten en nachten
Volgens haar verandert de toon van gesprekken in de loop van de dag. ‘In de ochtend begin je soms echt samen met iemand de dag. Dan heb je rustige gesprekken waarin je even vraagt wat iemand gaat doen of hoe die zich voelt. Dat vind ik juist leuk om te doen.’
Die momenten maken het werk voor haar waardevol. ‘Soms bellen mensen omdat ze met niemand anders praten. Dan ben je misschien het enige contact dat die persoon die dag heeft. Als je zo’n gesprek hebt gehad, voelt het wel alsof je iemands dag een beetje hebt gemaakt.’
Maar wanneer ze ’s nachts bellers krijgt, merkt ze dat de toon vaak verandert. Gesprekken worden somberder en gaan vaker over hoe zwaar iemand het heeft.
Zwaardere gesprekken
In die gesprekken treft Coban ook mensen die verward zijn of kampen met psychische klachten, zoals een psychose. Tijdens haar training was daar aandacht voor, maar in de praktijk leert ze vooral hoe ze met dit soort situaties omgaat.
‘Ik heb een keer iemand gesproken die totaal niet reageerde op wat ik zei en helemaal in zijn eigen verhaal bleef hangen. Dan ben je continu aan het zoeken naar een moment om ertussen te komen. Dat kost best veel energie.’
Als een gesprek te heftig wordt, mag ze er ook voor kiezen om het eerder te beëindigen.
‘Je mag altijd aangeven dat het niet goed voelt en dat je het gesprek gaat afronden. In sommige gevallen mag je ook gewoon ophangen.’
Soms krijgt zo’n gesprek meer richting wanneer iemand iets persoonlijks deelt. ‘Ik sprak een man die het heel zwaar had en zei dat het allemaal geen zin meer had. Tijdens het gesprek vertelde hij dat zijn kleinkind het enige was waar hij nog voor doorging. Dan probeer je daar samen bij stil te staan en daarop door te praten.’
Om dit soort pittige gesprekken te verwerken, schrijft Coban wekelijks een reflectieverslag over de gesprekken die ze voert. Dat stuurt ze naar haar mentor, die daarop reageert. ‘Dan kijk je terug: wat gebeurde er, wat vond ik lastig en hoe reageerde ik? Je krijgt ook terug wat je anders had kunnen doen. ‘Dat helpt wel om het de volgende keer anders aan te pakken’, zegt Coban.
Behoefte aan contact
Tijdens haar diensten merkt Coban hoe groot de behoefte aan gesprekken is. ‘Soms werken er wel 25 vrijwilligers tegelijk in een regio en staan er nog mensen in de wachtrij.’
Een deel van de bellers komt via zorginstellingen bij haar terecht, bijvoorbeeld mensen die zich alleen voelen of wachten op hulp en tussendoor iemand nodig hebben om mee te praten.
Volgens Coban is de Luisterlijn een aanvulling op de zorg. ‘In de zorg gaat het vaak om behandelen en oplossingen. Wij luisteren. Dat maakt het voor mensen soms makkelijker om hun verhaal te doen. Tegelijkertijd wil je niet dat mensen afhankelijk worden en steeds blijven bellen. Het moet een aanvulling blijven.’
Van bellen naar chat
Coban heeft er inmiddels voor gekozen om te stoppen met telefonische diensten en zich te richten op de chatfunctie, waarvoor ze binnenkort een nieuwe training gaat volgen. ‘ Via de chat is het voor mij beter vol te houden. Ook omdat je geen nachtdiensten hoeft te draaien, die waren namelijk best intens. Maar ik wil dit werk wel blijven doen.’
