Migranten aan de Europese grens slecht behandeld, maar wie neemt verantwoordelijkheid?
Als een migrant illegaal wordt teruggeduwd aan de Europese grens, is vaak onduidelijk wie daarvoor verantwoordelijk is. Dat probleem staat centraal in het onderzoek van Mariana Gkliati naar EU-grensbewaker Frontex. ‘Hoe houd je toezicht op een organisatie die niet transparant is?’

Mariana Gkliati, universitair docent Migratie en Asiel, doet onderzoek naar mensenrechten, migratie en grensbewaking. Ze staat bekend om haar kritische blik op Europese grenspraktijken en de rol van Frontex, de Europese grensbewakingsorganisatie, die geregeld wordt bekritiseerd vanwege betrokkenheid bij pushbacks (illegale uitzettingen) en andere mensenrechtenschendingen.
Recentelijk werd haar werk erkend met de KNAW Early Career Award, een onderscheiding voor veelbelovende onderzoekers in een vroeg stadium van hun carrière. ‘Het is een bijzondere, historische erkenning,’ zegt ze. ‘Juist omdat het verder gaat dan onderzoek alleen. Het gaat ook over wie je bent als docent, mentor en academicus in het algemeen.’
Die erkenning ziet ze niet als iets persoonlijks. ‘Onderzoek doe je nooit alleen. Studenten en collega’s brengen me voortdurend op nieuwe ideeën.’
Een agentschap dat overal is en bijna niemand ziet
Gkliati houdt zich al jaren bezig met de Europese grensbewakingsorganisatie Frontex en promoveerde op het onderwerp aan de Universiteit Leiden. Frontex is inmiddels het best gefinancierde EU-agentschap. Het ondersteunt lidstaten bij grenscontrole, terugkeeroperaties en dataverzameling en beschikt over een eigen grenswachten. ‘Ze zijn overal bij betrokken. Dat maakt Frontex het centrale knooppunt in het Europese grensbeleid,’ legt Gkliati uit.
Maar zichtbaarheid betekent niet automatisch transparantie. Zelfs voor leden van het Europees Parlement blijft cruciale informatie soms onbereikbaar. Documenten over Frontex worden achtergehouden of zwaar geredigeerd. ‘Het roept fundamentele vragen op over democratische controle. Hoe houd je toezicht op een organisatie die niet transparant is?’
Verantwoordelijkheid
Het hart van Gkliati’s onderzoek draait om één grote vraag: wie is juridisch verantwoordelijk wanneer aan de grens mensenrechten worden geschonden? Het antwoord blijkt weerbarstig.
‘Verantwoordelijkheid lijkt vanzelfsprekend,’ zegt ze. ‘Wie mensenrechten schendt, moet daarvoor verantwoording afleggen. Maar aan de Europese buitengrenzen zien we dat organisaties die verantwoordelijkheid structureel weten te ontwijken.’
Dat komt doordat grensbeheer geen taak meer is van één instantie. EU-agentschappen, lidstaten, private beveiligingsbedrijven en zelfs niet-EU-landen worden ingezet in het Europese migratiebeleid. Met zo’n grote groep betrokkenen is het moeilijk om één partij juridisch aan te spreken.
Ook juridische structuren spelen een rol. Nationale rechters kunnen Frontex niet ter verantwoording roepen; alleen het Europees Hof van Justitie is bevoegd, maar dat hof biedt weinig ruimte om individuele zaken aan te kaarten. ‘Het resultaat is een systeem waarin schendingen bekend zijn, maar er gaten zijn in de verantwoordingsplicht. En dat ondermijnt de rechtsstaat.’

Waarom recht geen neutraal gegeven is
Hoewel Gkliati jurist is, gebruikt ze ook inzichten uit de sociale en politieke wetenschappen. ‘Die interdisciplinariteit is geen luxe, maar noodzaak, wanneer je met zulke ingewikkelde sociale problematiek van doen hebt,’ legt ze uit. ‘Recht wordt vaak gezien als een objectieve waarheid, maar dat is het niet. Het is een sociale constructie, gevormd door politieke keuzes.’
Neem het uitbesteden van grensbewaking, waarbij landen als Egypte of Turkije migranten moeten tegenhouden voor ze de Europese grens bereiken. Of de plannen waarbij asielzoekers naar Rwanda of Uganda zouden worden overgebracht.
‘Deze strategieën komen voort uit de politieke aanname dat migratie een veiligheidsdreiging is. Maar dat is geen onvermijdelijkheid; het is een keuze. Economische en sociologische studies laten vaak iets heel anders zien.’ Immigratie kan voordelen met zich mee brengen, zoals kennis en economische groei.
Als je dat beseft, kun je het beleid bevragen, zegt ze. En dat vindt ze hoog nodig. ‘Wanneer je een gewelddadig beleid uitbesteedt aan landen met een zwakkere mensenrechtensituatie, vergroot je de risico’s. En je schuift je verantwoordelijkheid af naar een plek waar minder zicht is op wat er gebeurt.’
Toch benadrukt Gkliati dat samenwerking met niet-EU-landen niet per definitie negatief is. ‘Samenwerken aan de oorzaken van migratie, zoals armoede of conflict, kan wél constructief zijn. Maar dat vergt politieke keuzes die verder reiken dan grenscontrole alleen.’
Het grootste misverstand: passiviteit
Naast haar onderzoek mengt Gkliati zich nadrukkelijk in het publieke debat over migratie. Wat haar daarin het meest stoort, is niet zozeer een inhoudelijk misverstand, maar een passieve houding.
‘Veel mensen denken dat ze genoeg weten omdat ze het nieuws volgen. Maar democratie vraagt om actieve betrokkenheid,’ zegt ze. ‘Politieke participatie is niet comfortabel. Groei, zowel persoonlijk als maatschappelijk, gebeurt juist buiten de comfortzone.’
Betrokkenheid hoeft niet altijd de vorm van kritiek aan te nemen. ‘We mogen ook denken aan wat hoopvol is. Aan utopieën. Aan verhalen, films of muziek die ons inspireren om een andere toekomst voor te stellen. We hebben radicale hoop nodig. Zonder verbeeldingskracht verandert er niets.’ Deze positieve houding gebruikt Gkliati niet alleen voor haarzelf, maar ook in de collegezaal. ‘Anders kan het wel zwaar worden om met wereldproblematiek bezig te zijn.’
Het ergste dat we volgens haar kunnen doen, is zwijgen. ‘Stilte houdt systemen in stand. Het publieke debat mag schuren. Het hoeft niet altijd gezellig te zijn.’
