Onderzoekers kun je geen ‘cijfer’ geven voor maatschappelijke relevantie
De maatschappelijke relevantie van wetenschappelijke onderzoek valt moeilijk te meten. De politiek wil er graag meer grip op, maar een nieuw rapport herhaalt dat het waarschijnlijk niet gaat lukken.

Wetenschappelijk onderzoek is soms goed voor de hele samenleving, en soms verdwijnen de uitkomsten ergens onder in een ladekast. Een deel van de politiek zou graag de maatschappelijke impact van wetenschap meten: gaat het goed of kan het beter?
Het onderwerp krijgt al enige aandacht in de academische wereld. Universiteiten en instituten leggen hun onderzoeksgroepen zesjaarlijks langs de maatstaf van het standaard evaluatieprotocol (SEP). Daarin komt ook de maatschappelijke relevantie aan de orde.
ChatGPT
Onderzoeksbureau Technopolis heeft op verzoek van het ministerie van OCW de SEP-documenten van 146 onderzoekseenheden bekeken. Dat wil zeggen, Technopolis heeft die documenten in ChatGPT gegooid en gevraagd wat erin staat over maatschappelijke relevantie.
De uitkomst: maatschappelijke relevantie neemt enorm veel vormen aan. Onderzoekers werken samen met overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers. Ze hebben invloed op nieuwe technologische ontwikkelingen, de energietransitie en bijvoorbeeld het onderwijs en het publieke debat. Veel onderzoeksgroepen doen bovendien aan publiekscommunicatie of ze publiceren in vrij toegankelijke tijdschriften die iedereen gratis kan lezen.
Beperkt
En dat zijn alleen nog maar de dingen die (volgens ChatGPT) in de evaluaties naar voren komen. Die SEP-evaluaties zijn beperkt. ‘De resultaten kunnen daarom niet worden beschouwd als een volledig overzicht van de maatschappelijke relevantie van onderzoek binnen onderzoekseenheden’, onderstreept het rapport.
En dat is dan ook de voornaamste uitkomst van deze evaluatie: je kunt het niet platslaan tot een ‘score’. Het ministerie zou de uitkomsten graag weergeven op de website OCWinCijfers.nl, maar aan de cijfers heb je dus weinig.
Of zoals het rapport het formuleert: ‘De rijkheid van de resultaten wijst erop dat een kwalitatieve, beschrijvende indicator het meest recht doet aan de diversiteit van maatschappelijke relevantie en aan de verschillen in onderzoekspraktijken en doelgroepen.’
Financiering
De evaluatie zegt er niets over, maar het achterliggende doel van sommige politieke partijen is om de wetenschap tot economisch en maatschappelijk nut te dwingen, bijvoorbeeld met een financiële prikkel. Maar hoe?
Het kan eigenlijk niet, is steevast de uitkomst van rapporten over dit onderwerp. In 2011 schreef het Rathenau Instituut: ‘Voor iedere discipline bestaan geëigende vormen van valorisatie: van octrooien en spin-offs, via advies over nieuwe wetgeving tot het samenstellen van een tentoonstellingscatalogus.’
Voor een technische universiteit is het aantal octrooien misschien een aardige indicator, overwoog het Rathenau Instituut destijds, maar dan nog heeft tellen weinig zin: zijn twee octrooien beter dan één? Het maakt veel uit wat er met die octrooien gebeurt.
Alles van waarde
In 2018 schreef de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen een advies: tellen en turven heeft geen zin. In plaats daarvan zou je met ‘narratieven’ kunnen werken: wetenschappers die vooraf vertellen voor wie hun onderzoek relevant zou kunnen zijn.
Hetzelfde probleem treft overigens het onderwijs: hoe kun je aantonen dat uitgaven aan onderwijs zin hebben? De Onderwijsraad waarschuwde twee jaar geleden dat het onderwijs een prooi voor bezuinigingen is, omdat de politiek gericht is op uitkomsten. Maar die uitkomsten vallen niet altijd te vangen, omdat ‘niet alles van waarde zich laat vangen in indicatoren, doorrekeningen of brede-welvaartsanalyses’.
