AI heeft een mannenprobleem
Chatbots hebben mannelijke namen als Claude en Harvey, en het merendeel van de programmeurs is man. Volgens Tom Grosfeld is het hoog tijd om de vrouw weer aan het programmeren te krijgen. ‘Computerprogrammeurs bepalen hoe de wereld eruitziet, welke waardes er via hun technologieën doorsijpelen naar de maatschappij.’

AI blijft ook op universiteiten onderwerp van gesprek – zie de opening van het academisch jaar. Even weg van het idee of AI een vloek of zegen is: we kunnen niet om het feit heen dat deze technologie – en breder: het vakgebied informatica – een mannendomein is. In Nederland is het aandeel vrouwen op hbo informatica 13 procent, op de universiteit ligt dat aantal iets hoger: 27 procent.
Mannen schrijven de programma’s, bouwen de platforms, richten de techbedrijven op. En bepalen zodoende de koers van onze samenleving. Informatica is mannelijk gemaakt. Dat laatste woordje is belangrijk. Ooit excelleerden vrouwen namelijk als programmeur.
Dat begon al in de negentiende eeuw met Ada Lovelace, het genie uit het Victoriaanse Engeland. Zo’n honderd jaar voor de komst van de elektronische computer had zij alles al voorzien en voorspeld. Ze was tevens de eerste programmeur ter wereld (van een computer die weliswaar in haar hoofd bestond, maar nog niet gebouwd was) en schetste het vakgebied dat we nu computerwetenschappen (of informatica) noemen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten duizenden vrouwen als ‘menselijke computer’. Met de hand voerden ze moeilijke berekeningen uit, bijvoorbeeld voor hoe de vuurhoek van kanonnen moest worden afgesteld. Dit werk werd met de komst van de elektronische computer gemechaniseerd.
Mannen blijven gefixeerd op het bouwen van deze gigantische machines, de hardware. Het waren vrouwen die inzagen hoe belangrijk programmeren was: alleen door de mogelijkheid de computer instructies te geven, kreeg je een echte, wendbare, universele computer die méér kon doen dan een enkele specifieke taak uitvoeren.
Dus veranderden vrouwen van computers in computerprogrammeurs. Totdat mannen erachter kwamen hoe belangrijk en moeilijk programmeren was en het beroep naar zich toe trokken, het beroep masculiniseerden. De vrouw werd langzaam het vakgebied uitgedreven. Eerst door de computer, vervolgens door de man.
En dus was de vrouw weer terug bij af. Later zouden AI-assistenten vrouwelijke namen krijgen als Alexa, Siri en Cortana en werden ze vanuit een patriarchale blik vormgegeven als onderdanig, vriendelijk, geduldig, passief en louter uitvoerend. Pas sinds AI-modellen zogenaamd ‘zelfdenkend’ en autonoom zijn – en het niveau van de secretaresse zijn ‘ontstegen’ – heten ze ineens Claude (of Devin, of Harvey, etcetera).
Waarom heet Claude geen Claudia? Ja, natuurlijk, hij is vernoemd naar Claude Shannon, de legendarische computerwetenschapper, dat klinkt logisch. Maar waarom dan niet naar Ada Lovelace, de minstens zo geniale eerste computerprogrammeur ter wereld? Of naar Grace Hopper? (google haar maar)
Het is heel simpel: de naam Claude versterkt de associatie dat zaken als programmeren, intelligentie en wiskunde gekoppeld zijn aan mannelijkheid. Dat computers en alles daaromheen jongensdingen zijn. Terwijl: wat programmeren is, is gewoon een sociale constructie. In de jaren zestig, de gloriedagen van de vrouwelijke programmeur, vergeleken we het nog met het voorbereiden van een diner: je moest rustig blijven, goed kunnen plannen en vooruit kunnen denken. Iets wat vrouwen van nature zouden kunnen. Wat ook een stereotype is, natuurlijk.
Als ik de universiteit zou moeten adviseren zou ik zeggen: probeer het beroep te demasculiniseren en te zorgen dat vrouwen weer massaal informatica gaan studeren. Want computerprogrammeurs bepalen uiteindelijk hoe de wereld eruitziet, welke waardes er via hun technologieën doorsijpelen naar de maatschappij.
Je hoeft maar een blik op de toekomstplannen van Silicon Valley te werpen om te beseffen dat er als de wiedeweerga meer vrouwelijke programmeurs nodig zijn. De tijd dringt.
Tom Grosfeld is journalist en alumnus van Tilburg University.
