In de trein is het ieder voor zich
Omgangsvormen verdwijnen zodra een trein het station komt binnenrijden, ziet Antje Beers. ‘Mensen worden ingehaald, opzij geduwd en soms bijna omvergelopen. Alles voor die felbegeerde zitplaats.’

De samenleving komt misschien wel het mooiste tot haar recht bij verenigingen, maar het tegenovergestelde lijkt te gebeuren in de trein. Sinds ik voor mijn werk regelmatig van Breda naar Den Haag reis, valt me steeds meer op hoe snel alle sociale omgangsvormen verdwijnen zodra er een trein het station binnenrijdt.
Het begint al op het perron. Iedereen probeert zo strategisch mogelijk te voorspellen waar de deur straks zal uitkomen. Een soort dagelijkse wedstrijd waarvan de hoofdprijs een zitplaats is. Rijdt de trein nét iets verder door dan verwacht, dan komt de massa in beweging. Mensen worden ingehaald, opzij geduwd en soms bijna omvergelopen.
Vervolgens gaan de deuren open. Ooit leerde ik dat je eerst mensen laat uitstappen voordat je zelf naar binnen gaat. Tegenwoordig lijkt dat vooral een vrijblijvende suggestie. Terwijl de eerste reizigers nog naar buiten proberen te komen, glipt er soms al iemand naar binnen. Alles voor die felbegeerde zitplaats. Eenmaal binnen volgt het volgende bijzondere fenomeen. De tas op de stoel. Zelfs wanneer het gangpad volstroomt, lijkt zo’n tas soms over een opmerkelijk sterk zitrecht te beschikken.
Maar het meest schrijnende vind ik iets anders. Laatst stond ik in een overvolle coupé toen een zwangere vrouw vroeg of ze ergens mocht zitten. Wat volgde, was een bijzonder schouwspel. Niemand stond direct op. In plaats daarvan keken mensen elkaar aan. Je zag bijna wat iedereen dacht: wie offert zichzelf op?
Ook buiten de strijd om de zitplaatsen lijkt het contact met onbekenden steeds ingewikkelder te worden. Wie niet op zijn telefoon kijkt, maar gewoon eens om zich heen, merkt al snel dat oogcontact bijna verdacht is geworden. Laatst zat er achter mij een jongeman in de trein. Een oudere mevrouw liep door het gangpad, duidelijk op zoek naar een plek. Hij keek haar vriendelijk aan. Tenminste, zo interpreteerde ik het. De mevrouw dacht daar anders over en vroeg verontwaardigd waarom hij haar zo aankeek.
Blijkbaar zijn we inmiddels zo weinig gewend om elkaar aan te kijken, dat zelfs een vriendelijke blik argwaan kan oproepen.
Het blijft een vreemd iets. We reizen iedere dag met honderden mensen tegelijk, opeengepakt in dezelfde coupés. Dichter bij elkaar kun je als samenleving bijna niet komen. En toch lijken we vooral bezig met onze eigen telefoon, onze eigen tas en, boven alles, onze eigen zitplaats.
Terwijl samenleven soms helemaal niet zo ingewikkeld hoeft te zijn.
Eerst even iemand laten uitstappen. En in de tussentijd een praatje maken met degene die naast je op dezelfde trein staat te wachten.
Antje Beers is alumna van Tilburg University.

