Wat voor universiteit willen we zijn?
Tilburg University wil meer geld ophalen bij externe partijen. Onderzoek doen kost geld, weet Gijs van Maanen. Maar de universiteit moet zich volgens hem steeds afvragen of ze met een bepaalde partij wil samenwerken. ‘Moet je je als onderzoeksgroep verbinden aan met oorlogsmisdrijven gerelateerde bedrijven?’

Tijd = geld, zo zegt men. En dit credo geldt ook op de universiteit, waar geld nodig is om de kosten die worden gemaakt voor onderzoek te vergoeden.
Helaas bevindt de Nederlandse universiteit zich na de bezuinigingsronde van het vorige kabinet in zwaar weer.
In reactie hierop wordt er in Tilburg druk gewerkt aan een plan dat de hoeveelheid externe financiering moet verhogen van 9 procent in 2024, tot 19 procent in 2030. Het geld dat we niet meer direct krijgen van de Nederlandse overheid moet, met andere woorden, elders worden gezocht.
Hoewel er op het eerste gezicht niks mis is met deze poging de universiteitskas aan te vullen, is het goed als zij die worden geraakt door dit beleid – o.a. onderzoekers, ondersteunend personeel – hierover structureel met elkaar in gesprek gaan.
Deze gesprekken zouden moeten gaan over (a) de hoeveelheid onderzoeksfinanciering die onderzoeksgroepen nodig hebben, (b) het karakter van de te zoeken financiering (welke financiers; welke thema’s), (c) wat dit alles betekent voor de onderzoeksgroep en het departement dat zij willen zijn, en (d) de mate waarin ‘het plan’ hen daarin ondersteunt.
Dit is een wisselcolumn van de Tilburg Young Academy (TYA). Elke maand belicht een ander lid van TYA ontwikkelingen in de academische wereld.
Dergelijke bottom-up vormen van zelforganisatie zijn onontbeerlijk wanneer beleid wordt uitgerold dat zo goed als iedereen werkzaam op de universiteit raakt en wel om de volgende redenen.
In de eerste plaats wijst onderzoek uit dat het type onderzoeksfinanciering en financier van invloed is op de mate van academische vrijheid die onderzoekers genieten. Het fenomeen van ‘ethics washing’ waarin onderzoekers de belangen van financiers van onderzoek (denk tabakindustrie; denk tech–industrie) bewust dan wel onbewust legitimeren, is hier een goed voorbeeld van.
In de tweede plaats moeten er ook vragen worden gesteld over of je altijd met elke financier zou moeten willen samenwerken. De discussie rondom een samenwerking van de VU en UvA met het bij de genocide op Oeigoeren betrokken techbedrijf Huawei is hier een goed voorbeeld. Maar denk ook aan de recente intensivering van militaire samenwerkingen op vrijwel alle Nederlandse universiteiten. Moet je je als onderzoeksgroep of departement aan met oorlogsmisdrijven of genocide gerelateerde bedrijven verbinden?
Keuzes op dit gebied worden doorgaans gemaakt door individuele onderzoekers in overleg met ethische commissies. Maar naast het feit dat dergelijke ‘ethische’ evaluaties maar ten dele geschikt zijn om de vaak complexe politiek-juridische vraagstukken die hierbij komen kijken te evalueren, gaan zij ook voorbij aan de langetermijngevolgen van onderzoeksfinanciering op het karakter van een onderzoeksgroep, departement of discipline.
Want wat te doen als een grote hoeveelheid kleine samenwerkingen met externe partijen op populaire thema’s (AI, anyone?) ertoe leiden dat minder ‘relevante’ of financieel aantrekkelijke vormen van onderzoek het loodje leggen?
De relatie tussen academische vrijheid en onderzoeksfinanciering is met andere woorden meer dan het integer en ‘onafhankelijk’ handelen van individuele onderzoekers. Het is een collectieve kwestie van ‘positieve’ academische vrijheid waarin niet enkel zij die het beste kunnen dansen naar de pijpen van financiers centraal staan, maar waarin een gezonde distantie wordt bewaard tussen onderzoek, onderwijs en markt door middel van het cultiveren van een vorm van self-governance over wat voor universiteit men wil zijn.
Want als wij dat niet zelf doen, doen anderen dat voor ons.
Medewerkers van Tilburg University, verenigt u!
Gijs van Maanen is als universitair docent werkzaam bij het Tilburg Institute for Law, Technology, and Society (TILT) en lid van de Tilburg Young Academy (TYA). Deze column is gebaseerd op eerder onderzoek naar dit thema en een binnenkort te verschijnen bijdrage die hij samen met Prof. Dr. Lisa Herzog (Rijksuniversiteit Groningen), Dr. Marijn Hoitink (Universiteit van Antwerpen), Dr. Ann-Katrien Oimann (Tilburg University) en prof. Dr. Linnet Taylor (Tilburg University) heeft geschreven.
