Buiten de collegezaal gelden andere regels

Wat hebben studenten en hoogleraren met elkaar gemeen? Meer dan het lijkt, schrijft Jorna Leenheer. Dat valt vooral op buiten de universiteit. ‘Je kunt theoretisch nog zo scherp redeneren, maar het echte leven volgt eenvoudigere regels.’

Jorna Leenheer. Beeld Ton Toemen

Op de universiteit bestaat de toplaag van de wetenschappelijke staf uit hoogleraren (full professors). Dat zijn mensen die hun sporen hebben verdiend met wetenschappelijk toponderzoek en publicaties en daar vaak jarenlang keihard voor hebben gewerkt. Het hoogleraarschap oogst op de universiteit veel respect en opent deuren. Allereerst letterlijk die van de togakamer: je mag een toga dragen bij officiële gelegenheden.

Welke privileges geeft het behoren tot de wetenschappelijke staf (assistant professor, associate professor, full professor) buiten de universiteit? Niet zo veel. Allereerst is de term professor een ratjetoe en niet beschermd: zelfs docenten op een Franse middelbare school noemen zich zo. Buiten de universiteit leven veel professoren vrij teruggetrokken en passen zich keurig aan. Niets mis mee.

Dat gold niet voor een niet nader te noemen hoogleraar die bij het zelfscannen bij Albert Heijn slechts vier van zijn twaalf boodschappen afrekende. De beste man werd betrapt en kreeg een winkelverbod van twee jaar. Verontwaardigd zocht hij de media op.

Hij hield een vlammend betoog over de tekortkomingen van zelfscansystemen en het bredere systeem van supermarktcontrole. Er was dringend meer onderzoek nodig en nieuw beleid. En plots, alle academische hiërarchie ten spijt, leek hij opvallend veel op een student.

Want wie in het universitair onderwijs werkt, herkent dit patroon. Studenten die een onvoldoende halen of een deadline missen, komen vaak met een vloeiend betoog over de inrichting van het vak. Over onlogische deadlines, onduidelijke opdrachten of oneerlijke beoordeling. Analytisch sterk, denk ik dan, maar praktisch levert het weinig op: niet gehaald is niet gehaald.

Misschien is dat wel de kern. Je kunt theoretisch nog zo scherp redeneren, maar het echte leven volgt eenvoudigere regels.

Ooit was ik toeschouwer bij een voetbalwedstrijd van TSVV Merlijn. Na wat gewissel stonden er ineens twaalf spelers op het veld. Tellen tot elf, een fatsoenlijke opstelling maken: dat lukte de voetballende studenten even niet. De tegenstander merkte het op, de toeschouwers lagen dubbel van het lachen. Zo slim, maar niet eens tot elf kunnen tellen. Zie hier nog een overeenkomst met de hoogleraar.

Studenten leren dat meestal vanzelf. Ze krijgen bijbaantjes — bijvoorbeeld bij de zelfscankassa van de Albert Heijn — en stages waarbij je je gewoon aan regels moet houden, op tijd moet komen en niet te bijdehand moet zijn. Als ze gaan werken, worden die regels alleen maar strakker.

Voor professoren veranderen de regels intussen nauwelijks nog. In Nederland gelden de regels van zelfscannen, de dokter en de politie namelijk voor iedereen, hoe onlogisch ze soms ook mogen voelen.

Beste hoogleraar: geniet van uw welverdiende status binnen de universiteit, alle respect voor wat u wetenschappelijk hebt bereikt. En studenten: geniet van de tijd waarin je nog een beetje buiten de lijntjes mag kleuren.

Maar daarbuiten zijn de regels voor iedereen hetzelfde. En dat is misschien maar goed ook.

Jorna Leenheer is universitair hoofddocent Marketing aan de Tilburg School of Economics and Management.

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.