‘Nog steeds kan ik niet slapen als er geen licht aan is’

‘Nog steeds kan ik niet slapen als er geen licht aan is’

Joke De Smit (1946) kwam nadat ze misbruikt was door haar stiefvader als veertienjarig meisje terecht bij de zusters van de Goede Herder. Nazorg of scholing kreeg ze niet. Tot haar negentiende deed ze niets anders dan hard werken. De periode bij de nonnen blijft haar achtervolgen. “Je denkt: val maar dood allemaal met die zwarte kappen, ik ga verder! Maar je kunt niet verder.”

“De tijd in de Goede herder heeft mij helemaal murw gemaakt. Ik ben nu 73 en ik was 19 toen ik daar wegging. Je zou het niet zeggen, maar ik heb helemaal geen eigenwaarde. Ik lijk heel stoer, maar ik heb geen zelfvertrouwen.

Ik deed altijd alles wat een ander wilde, ik kon geen nee zeggen. Ik heb daar nog altijd moeite mee. Af en toe probeer ik wel nee te zeggen, maar dat doe ik met kloppend hart. En dan vraag ik later: vond je het heel erg dat ik nee zei? Dan wil ik toch weten wat ze daarvan vinden.

Je werd monddood gemaakt.

Want je bent niks en je zal nooit wat worden ook. Daar kwam het op neer. Je gelooft dat op een gegeven moment. Ik ben altijd bang dat andere mensen iets van me denken. Dat onzekere, dat gaat niet weg. Er staat een megagrote muur om me heen. Natuurlijk zie je het niet aan me, dat wil ik ook niet. Maar hij staat er wel.

Als kind was ik juist een heel vrolijk grietje, altijd in voor een geintje. Ik had oudere broers, die namen mij vaak mee, want ik was niet bang. We verzamelden kerstbomen en zaten nachten op het fietsenhok om die bomen te bewaken. Ik had altijd lol. Dat is er allemaal uitgehaald. Dat vind ik heel erg.

Mijn vader is vroeg gestorven, ik was nog geen twee. Ik heb altijd een echte vader gemist. En een moeder had ik ook niet. Die wilde alleen maar dat je de rotzooi opruimde en gebruikte de mattenklopper als je er tegenin ging.

Over de meisjes van de Goede Herder

Hard werken zonder enige vorm van betaling. Naaien, wassen, strijken en schoonmaken, zes dagen per week. Onder strikt toezicht en continue bedreiging van straf en eenzame opsluiting. Het overkwam zo’n vijftienduizend meisjes in Nederland tussen 1860 en 1978. Zij werkten in de wasserijen en naaiateliers van de Zusters van de Goede Herder. Vrijwel allemaal werden ze op last van de kinderbescherming in deze instellingen geplaatst. Vaak na het overlijden van een ouder, huiselijk geweld, verwaarlozing of seksueel misbruik.

De meisjes leefden afgesloten van de buitenwereld in een instelling met hoge muren. Ze mochten niet met elkaar praten en kregen geen onderwijs. Wie wegliep werd door de politie teruggebracht.

Lees meer in dit Univers-verhaal.

Ik kreeg een stiefvader, maar die had andere bedoelingen met me.

In het begin durf je daar niet over te praten. Tot ik toch iemand in vertrouwen nam en het moest komen vertellen bij de politie. Na afloop werd mijn moeder naar binnen geroepen en werd ik op de gang gezet. Daar zat hij ook. Hij wilde dat ik zou zeggen dat ik het had verzonnen en dat heb ik gedaan. Ik was hartstikke bang en vreesde voor het moment dat ik weer thuis was. Toch hebben ze er uiteindelijk werk van gemaakt. Hij bleek eerder al 9 maanden te hebben gezeten. Voor een ander kind.

Na zijn veroordeling werd ik uit huis geplaatst. Toen ik naar het observatiehuis van de Goede Herder in Bloemendaal ging, hoopte ik dat ik het beter zou krijgen. Er waren allemaal kinderen en ik dacht: nou wordt het leuk! Daar heb ik me stevig in vergist. Er liep een grote non rond met een enorme bos sleutels. Alle deuren gingen achter me op slot. Twee keer ben ik weggelopen en ook weer teruggebracht. Daarna werd ik achter slot en grendel gezet.

Joke in haar tienerjaren

Joke in haar tienerjaren

Ze brachten me naar de Goede Herder in Zoeterwoude.

Daar was het verschrikkelijk. Net een jeugdgevangenis. Je mocht niet praten met elkaar, niks mocht, alles moest. Ik werd heel stout en opstandig. Ik heb eigenlijk meer in de isoleercel gezeten, dan dat ik op de groep was. Ze gaven je een andere naam. Maar dat pikte ik niet, want zo heette ik niet. Toen hebben ze er maar Joke Kikker van gemaakt, omdat ik in de groep ‘ de Kwakende Kikker’ zat. Dus ik bleef Joke.Je bent een kind van 14 en het enige dat je doet is keihard werken. Van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Eerst in de wasserij, daar vond ik het vreselijk smerig. Toen heb ik de boel verstierd en ben ik naar de naaikamer gegaan. Dat heb ik twee dagen gedaan, ik heb die non zo gepest dat ze er huilend uitliep. Ik hoopte dat ze me door mijn onhandelbare gedrag naar huis zouden sturen. Maar ik moest naar het strafhok.

Op een dag kwam moeder Daniëla me daar eten brengen. Ik dacht: als ik het niet opeet, dan word ik ziek en moeten ze me eruit halen. Ik heb het gewoon in de wc gegooid. Toen kreeg ik een ontzettende klap in mijn gezicht. Er knapte iets in me en het volgende moment sloeg ik haar zo door de gang. Ik had nog nooit iemand geslagen. Die woede die in me kwam, jongen, ik voel het nu nog. Toen moest ik nog drie weken in de isoleercel blijven. Dat vond ik minder erg omdat ik haar toch te pakken had gehad!

Ik ging altijd lachend naar dat strafhok toe, maar als ik er zat dan lachte ik niet meer.

Er stond een bed met een kaal matras, daar moest je op slapen. Het was er eng. De geluiden die je niet thuis kan brengen, het donker. Je keek uit op de weilanden, je zag geen auto’s rijden, het was er stikdonker. Na negen uur ging het licht uit. Je zat aan de voorkant van het gebouw, daar was ’s nachts niemand. Als er iets zou gebeuren kon niemand me helpen.

Foto: Ton Toemen

Foto: Ton Toemen

Nog steeds kan ik niet slapen als er geen licht aan is. De hele nacht laat ik een lampje branden. Wanneer het uitgaat dan vlieg ik overeind. Ik slaap beneden op de bank. Daar voel ik me veiliger.

Mijn wereld is klein.

Ik heb mijn kinderen en kleinkinderen, alles gebeurt hier. Ik heb een gratis openbaar vervoerskaart en kan zo in de tram en de bus stappen, maar ik vind dat doodeng. Een winkel ingaan waar het druk is? Doe ik niet. Al die mensen, je kent ze niet, je weet niet wat ze doen.

Mijn vroegere echtgenoot heb ik nooit over mijn verleden vertelt. Hij heeft mij twaalf jaar lang geslagen, dan vertel je niks meer. Ik ben met hem getrouwd om mijn benen onder mijn eigen tafel te kunnen steken. Niet uit liefde. Na twaalf jaar ben ik er vandoor gegaan met de kinderen. Daarna heb ik nog een relatie gehad met een andere man, dat was net zo’n stomme keuze als de eerste. Dus nu ben ik er klaar mee.

Ik heb het nooit breed gehad.

Je hebt niet geleerd om geld te maken. Ik had baantjes waarin ik weinig verdiende en heb in de uitkering gezeten met mijn zeven kinderen. We moesten altijd de eindjes aan elkaar knopen. Als ik dan sommige mensen om me heen zie, dan denk ik: zo dat wil ik ook! Ik zou het ook wel eens leuk willen hebben.

Wat ik heel moeilijk vind is dat mijn jeugd van invloed was op hoe ik met mijn eigen kinderen omging. Ik heb nooit echt diepe privégesprekken met ze gehad. Dat liet ik zo. Ik ging er vanuit dat ze zelf wel kwamen als er iets was. Maar dat gebeurde niet. Je geeft veel om je kinderen, maar je toont het niet. Althans niet op de goede manier. Niet knuffelen, niet écht knuffelen.

Dat begin ik nu met mijn kleinkinderen wel te doen. Dat is heel apart. En dan voel ik me schuldig, omdat ik dat met mijn eigen kinderen niet kon. Maar ze staan wel voor me klaar, dus ik zal wel iets goed hebben gedaan.

Pas als de Goede Herder voor de hele wereld durft toe te geven dat ze stinkend fout zijn geweest, kan ik het misschien achter me laten. Dat zou voor mij zeker iets uitmaken. Want wij zijn open geweest in alles wat we hebben meegemaakt en wat we met ons meeslepen. Dan vind ik ook dat zij in het openbaar excuses moeten maken. Zolang die erkenning er niet komt heeft een schadevergoeding voor mij geen waarde.”Univers sprak ook met Joke Vermeulen, Joyce, Paula Vrij en Lies Vissers over de diepsnijdende gevolgen van hun tijd bij de Goede Herder. Klik op de foto’s hieronder om hun verhalen te lezen.

Joke Vermeulen

Joke Vermeulen

Joyce Geaerds Thesing

Joyce

Paula Vrij

Paula Vrij

Lies Vissers

Lies Vissers

Dwangarbeid

Volgens emeritus hoogleraar victimologie Jan van Dijk (Tilburg University) was er in de instellingen van de Goede Herder overduidelijk sprake van jeugddwangarbeid en mensenhandel.

De overheid was verantwoordelijk voor deze kwetsbare kinderen en had hen moeten beschermen, zo stelt Van Dijk. Hij steunt de meisjes van de Goede Herder in hun strijd voor erkenning en herstelbetalingen. Lees alles over die strijd in dit Univers-verhaal.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.