Monica Meijsing: “Als ik een vrije middag heb, werk ik vooruit”

Monica Meijsing: “Als ik een vrije middag heb, werk ik vooruit”

Nachtmerries, dagdromen, onvervulde wensen: in de rubriek ’13 vragen aan’ laten wetenschappers zichzelf van een andere kant zien. Deze keer: Monica Meijsing, universitair docent filosofie aan Tilburg School of Humanities and Digital Sciences.

Monica Meijsing. Foto Jack Tummers

Monica Meijsing. Foto Jack Tummers

1. Waar krijgt u uw ideeën voor onderzoek?

Van lezingen die ik hoor, of van boeken en artikelen die ik lees. Ik werk ook geregeld met case studies, over mensen met vreemde neurologische aandoeningen. Hoe redden die mensen zich en wat impliceert dat voor het bewustzijn of zelfbewustzijn?

2. Waar dagdroomt u over?

Ik heb wel eens gelezen dat de meeste mensen de voorkeur hebben voor landschappen die open, weids en licht glooiend zijn. In Engeland heb je dat, ik ben daar deze zomer op vakantie geweest. Als ik daar aan terugdenk, denk ik: ja, dit is goed voor de ziel.

3. Welk boek zou u iedereen aanraden?

Dat hangt af van wat ik net gelezen heb. Onlangs The God of Small Things, van Arundhati Roy. Heel indrukwekkend maar ook verontrustend, akelig. Als ik iets zou aanraden uit de filosofie? ‘Freedom and resentment’, een artikel van Peter Strawson. Hij zegt daarin belangrijke dingen over de mogelijkheid van de vrije wil. Iedereen die daarin is geïnteresseerd zou dit moeten lezen.

4. Wat zou algemene kennis moeten zijn?

Een tijd geleden gebruikte ik een bloeddrukmeter. Ik schrok, want ik zat met mijn hartslag steeds te hoog. Tot ik erachter kwam dat de ranges gelden voor mannen. Vrouwen hebben gemiddeld genomen een hogere hartslag, maar dat stond niet in de gebruiksaanwijzing. Het meeste medicijnonderzoek wordt namelijk gedaan met mannelijke proefpersonen. Hierdoor herkennen vrouwen de verschijnselen van een hartaanval niet, want die zijn anders dan bij mannen. Dat zou iedereen eens moeten weten.

5. U heeft een onverwachte vrije middag, hoe besteedt u de tijd?

Dan werk ik vooruit. Om ruimte te hebben voor als er onverwacht dingen zijn die ik wil doen, zoals een praatje maken met mensen die aankloppen.

6. Stel, u heeft een tijdmachine. Naar welk tijdvak wilt u terugreizen en met welke wetenschapper wilt u koffie drinken?

Naar Edinburgh in de achttiende eeuw. Een bruisende tijd, er gebeurde van alles op filosofisch en wetenschappelijk gebied. Ik zou er een kopje thee drinken met David Hume, een buitengewoon interessante filosoof. En, geloof ik, een heel aardige man. Hij was een empirist, volgens hem kwam alle kennis voort uit de ervaring. Zo zei hij dat onze ethiek, hoe we ons gedragen in contact met anderen, niet gebaseerd is op abstracte ideeën over wat het goede is. Het is basaler. Onze morele gevoelens zijn aangeboren en maar deels te sturen. Dat was heel vooruitstrevend voor zijn tijd.

7. Uw huis staat in brand en u kunt maar een bezitting redden. Wat neemt u mee en waarom?

Dit doet me denken aan een Romeins verhaal, over een belegerde stad. De vrouwen mochten weg en meenemen wat ze zelf konden dragen. Ze namen hun echtgenoot op de schouder en liepen weg. Dus ik dacht, dan neem ik mijn man mee. Maar hij is geen bezit. Spullen zijn allemaal wel vervangbaar. Als ik toch iets moet meenemen: mijn twee Bengaalse katten.

8. Wat moet er in onze maatschappij echt veranderen?

De schermplakkerigheid mag minder. Dit relateert aan wat ik over Hume zei. In de directe omgang met mensen voel je onmiddellijk empathie. Dat is de primaire basis van ethiek, van hoe we met elkaar om zouden moeten gaan. Die basis staat tegenwoordig onder druk omdat we zoveel tijd achter schermen doorbrengen. 

9. Wat is het vreemdste dat u ooit heeft meegemaakt in een collegezaal?

Ik gaf eens wetenschapsfilosofie aan studenten gezondheidswetenschappen. Waar zijn ze mee bezig, wat willen ze weten, hoe kunnen ze dat onderzoeken? De studenten vonden het best een leuk college, en ze wilden ook wel theorie uit het hoofd leren, maar ze zeiden dat ze niet wilden nadenken.

10. Wat zou u eigenlijk (meer) moeten doen?

Bewegen. Ik lees, ik schrijf, ik zit achter een computer. College geven doe ik staand, maar dat is niet wat je noemt een work-out.

11. Onderzoek of onderwijs? 

Iets liever onderwijs, dan heb je directe interactie met mensen. Dat vind ik belangrijk. Een periode van alleen onderzoek doen vind ik zwaar. Eenzaam. Filosofisch onderzoek vind ik leuk om te doen en ontzettend belangrijk. Maar ik heb er ook wel eens mijn twijfels over. Hoe zinnig is het om artikelen te schrijven die door drie mensen gelezen worden? Het meeste valt als een steen in de vijver. Plop, weg.

12. Nederlands of Engels?

Als onderwijstaal het Nederlands. Filosofie is ontzettend moeilijk en talig. Als je niet in een taal werkt waarmee je vertrouwd bent, mis je nuances. En als er in colleges geworsteld wordt met het vinden van woorden om überhaupt iets te zeggen, ben je niet meer bezig met de inhoud. Het lezen vind ik wat anders. Studenten moeten op zijn minst Engels kunnen en het liefst ook Frans of Duits, om kennis te nemen van wat er is.

13. Meer of minder studenten?

Als er meer mensen willen studeren moet dat kunnen, maar het is slecht als studenten daardoor elk college met honderden in gigazalen zitten. De kleinschaligheid moet je bewaren, er moet voldoende contact met docenten zijn.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.