Balkonneren

Ik heb een balkon van ongeveer drie bij vijf meter. In Amsterdam kan je daar een fortuin voor vragen. Heb je binnen een halve werkdag drie starters en zeventien studenten in je inbox zitten. In Tilburg-West is het een leuke bijkomstigheid. Als de zon schijnt, zijn we hier wel het mannetje. Dan gaan de shirtjes uit, worden de broekjes opgerold en mogen de zonnebrilletjes op.

Bij de linkerburen wordt een draagbaar boxje neergezet en er volgen er zomerse deuntjes. Het onderbuurtje probeert haar vader te verleiden mee te deinen op de broeierige muziek, maar hij heeft zijn krant nog niet uit. Zijn navel piept onder de naar boven kruipende polo door en zijn buik valt over het elastiek van zijn broekje heen. Hetgeen net genoeg schaduw biedt voor het oververhitte teckeltje dat uitgeput in een plasje zweet ligt. De rechterburen drinken corona en steken een sigaretje op. Hij heeft een snorretje en zij heeft zo’n vlotte zonnebril. Ze zijn gaver dan ik. Ik vraag aan mijn huisgenoot of hij denkt dat zo’n snor mij ook zou staan, terwijl ik weet dat ik een dergelijk statement niet aandurf. Hij kijkt me van binnen meewarig aan.

Ik mijmer nog even door over zomerse snorretjes. Over een ringetje in mijn oor. Over een tatoeage die diepte en smaak, maar ook humor uitstraalt. Ik droom over een luchtige, kleurrijke outfit waarmee ik bewonderende blikken oogst. Ik doe mijn ogen dicht, voel de zon op mijn gezicht branden en waan me op een festival.

Als het regent, word ik net niet nat op mijn balkon. De effectieve balkonruimte wordt wel gehalveerd en er verschijnt een soort streep op de grond die de droge, veilige omgeving afbakent. Als een soort tij dat maar niet wil opkomen. Ik heb een dikke trui aan en speur de omgeving af. Mijn linkerburen zijn spoorloos, maar door de muren hoor ik voorzichtig het gezeur van een melodramatisch lied van een tiental jaar geleden. Rechts staat een man met een vlassige snor met een stinkende pretstaaf en een groot blik Schultenbrau in zijn handen. Beneden zie ik een man in poncho achter zijn hond aan waggelen.

In het oosten hoor ik het donderen. Ik nies. Luid bonzend op de ramen roep ik dat ik naar binnen wil. Mijn huisgenoot kijkt op van zijn boek. “Nog drie dagen isolatie Kaufmann. In Amsterdam doen ze een moord voor zo’n plek.”

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.