Studenten komen niet altijd aan hun trekken

Studenten krijgen aan de universiteit veel ruimte om zichzelf te ontwikkelen, ziet Jorna Leenheer. Ze kunnen interessante colleges volgen, actief worden bij verenigingen en aan topsport doen. Maar kunnen studenten die vrijheid ook aan?

Jorna Leenheer. Beeld Ton Toemen

Als universitair docent lijk je het relatief gemakkelijk te hebben met collegezalen vol slimme jongvolwassen studenten. Over studenten bestaat een soortgelijk positief idee, namelijk dat het ze allemaal wel gemakkelijk af zal gaan met die knappe koppen. Beide ideeën zijn mijns inziens niet waar. Nergens is de variatie zo groot als op een universiteit. Tegelijkertijd hebben veel studenten nog last van niet-passend onderwijs voor ze naar de universiteit toe kwamen.

Allereerst de variatie. Cognitieve of academische competenties zijn normaal verdeeld. Ongeveer 20% van de Nederlandse leerlingen doet vwo en heeft direct toegang tot de universiteit, dat is dus de rechterstaart van de verdeling. Maar die staart varieert van best slim, tot slim, tot superslim. Dat betekent dat je als docent tegelijkertijd altijd te simpel en te complex uitlegt, te snel gaat maar ook (veel) te langzaam.

Dat houdt ook in dat klankbordgroepen zo divers zijn en ieder jaar andere feedback geven. Maar het betekent ook dat een deel van de studenten absoluut nog niet aan zijn trekken komt in een reguliere bachelor- of masteropleiding. Dat is de kleinste groep, maar wel een interessante met veel cognitieve potentie.

Dan het niet-passende onderwijs. Ik hoorde eens van een onderwijsexpert dat het bij slimme kinderen in het kleuteronderwijs al misgaat. Al snel krijgen zij de boodschap dat je je weinig hoeft in te spannen, dat jouw manier van denken niet wordt geapprecieerd en dat je je maar beter kunt aanpassen aan het gemiddelde.

Dan vindt de juf je het prettigst, maak je de meeste vriendjes en is je leven het gemakkelijkst. Dat kan tien jaar later nog steeds gevolgen hebben. Denk aan demotivatie, luiheid, moeite met executieve vaardigheden en doorzetten wanneer iets niet direct lukt, maar ook een sterke behoefte aan erkenning en perfectionisme.

Het onderwijskundige toverwoord voor deze verschillen is differentiatie. Maar doen we dat wel in grote collegezalen en met snelle (voorlopige) BSA-adviezen? Geven we studenten überhaupt ruimte om zichzelf te ontdekken? Dat we het als universiteiten niet goed doen, is te kort door de bocht. Want al differentiëren we dan wellicht niet optimaal in ons onderwijs, we geven studenten wel veel vrijheid.

Je hoeft niet naar college te komen, je mag slimme vragen stellen (en dat waarderen docenten zeker!), je mag ook last minute een hele cursus in je hoofd stampen. Maar je mag ook actief worden in een studie- of studentenvereniging, aan topsport doen, lid worden van de universiteitsraad of meedoen met een honours programma. Met andere woorden: je mag je eigen spel maken.

Tegelijkertijd is dat waar het op dit moment echt wringt: we verwachten veel autonomie van jongeren die veelal gewend zijn aan gestuurd onderwijs. Velen hebben moeite om in actie te komen of zijn juist bang de boot te missen; mede daardoor lukt de studie zelf soms ook maar matig.

En daar zouden we studenten veel meer in kunnen coachen. Niet hoe je de studiepunten kunt binnenharken, maar hoe je je als mens wilt ontwikkelen gedurende je studieperiode, is een vraag die daarbij centraal zou moeten staan. Wie die coaching zou moeten geven en hoe? Dat is wellicht stof voor een volgende column.

Jorna Leenheer is universitair hoofddocent Marketing aan de Tilburg School of Economics and Management.

Advertentie.

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.