Sheila Sitalsing over NSB-opa: ‘Of opa Sjarrel van Auschwitz wist, doet er niet toe’
Een NSB-opa, een zwijgende moeder en diepe schaamte voor de familiegeschiedenis. Journalist Sheila Sitalsing wint de E. du Perronprijs voor haar boek Waar ik me voor schaam: ‘Niemand van de familie wist iets af van het NSB-verleden van mijn grootouders.‘

Op het sterfbed van haar moeder krijgt journalist en schrijver Sheila Sitalsing een digitale erfenis overhandigd. Pas na haar moeders dood leest ze de nagelaten A4’tjes. Daarin staat, zonder omwegen: haar opa Sjarrel was lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). ‘Een Jodenhater,’ schrijft haar moeder. ‘Ik weet niet waarom.’
In Waar ik me voor schaam laat Sitalsing zien wat er gebeurt als een familiegeheim niet langer wordt verzwegen. Tussen de bruine dozen van het Nationaal Archief in Den Haag gaat ze op zoek naar antwoorden.
Jouw moeder deelde dit familiegeheim pas op haar sterfbed. Voelt dat als een vorm van bescherming of juist als een last die ze heeft doorgeschoven?
‘In eerste instantie voelde het niet als bescherming, maar als een geheim dat ze aan mij doorgaf. Niemand van de familie wist iets af van het NSB-verleden van mijn grootouders. Ik weet nog dat ik dacht: lees ik dit wel goed?
‘Daarna kwam het verdriet, vooral om mijn moeder. Het idee dat ze zich nooit vrij heeft gevoeld om dit aan iemand te vertellen, raakt me. En ook boosheid: we hadden een goede band en ik heb haar vaak naar de oorlog gevraagd. Ik voelde me toch een beetje belazerd omdat ze er nooit iets over heeft gezegd. Het idee dat haar zwijgen misschien ook een vorm van bescherming was, kwam pas later.
‘Vrij snel daarna kwamen de praktische vragen: moet ik dit op de redactie van de Volkskrant vertellen? En mag je met zo’n familiegeschiedenis nog wel ‘belerende en moraliserende’ stukken schrijven? Gelukkig hield dat gevoel niet lang stand. Vrienden met wie ik de familiegeschiedenis deelde waren daar heel duidelijk over: ‘Wat een onzin,’ zeiden ze. ‘Natuurlijk kun je gewoon blijven werken voor de krant.’’
Hoe ga je om met schaamte voor iets waar je zelf niet bij was?
‘Door met nazaten van NSB’ers te spreken, heb ik meer inzicht gekregen in hoeveel schaamteniveaus er kunnen bestaan. Allereerst is er de plaatsvervangende schaamte over een beladen familiegeschiedenis, die binnen families vaak wordt verzacht of gladgestreken. Zo wordt de rol van een foute voorouder bijvoorbeeld gebagatelliseerd met uitspraken als dat het ‘wel meeviel’, dat hij het ‘goed bedoelde’, of dat je het ‘in de tijdsgeest moet zien’.
‘Daarnaast is er de spanning tussen het houden van je ouders en het besef dat zij moreel verwerpelijke dingen hebben gedaan. Voor kinderen van NSB’ers is het vaak moeilijk om die twee werkelijkheden naast elkaar te laten bestaan, wat kan leiden tot diepe schaamte.
‘Tot slot is er de schaamte die verbonden is met woede over de manier waarop NSB’ers en hun familieleden na de oorlog zijn gestraft en vernederd. Ik kan geen uitspraken doen over of deze straffen te zwaar waren of niet. Daar moet onderzoek naar worden gedaan.
‘Wat ik wel zie, is dat die boosheid vaak functioneert als een copingmechanisme voor de kinderen van NSB-ouders: een manier om het gesprek te verschuiven van de foute daden van NSB-ouders naar de vermeend buitensporige of vernederende manier waarop is gestraft.’
Er was de afgelopen jaren veel discussie over de opening van de oorlogsarchieven. Hoe kijk je daarnaar?
‘Wat mij hielp – en wat ik met dit boek wil laten zien – is dat zo’n familiegeschiedenis ook een maatschappelijk verhaal is. Het laat zien hoe een samenleving functioneert onder extreme druk: welke keuzes mensen maken en wat hen daartoe drijft.
‘Bovendien gaat het dossier in het Nationaal Archief van mijn opa niet alleen over hem, maar ook over de mensen die door zijn handelen zijn getroffen. De nazaten van die slachtoffers hebben recht op inzicht in wat er is gebeurd. Daarom vind ik niet dat nazaten van ‘foute’ Nederlanders mogen bepalen wie toegang krijgt tot die geschiedenis.’
In je boek noem je het verlangen om te weten of je opa van Auschwitz wist. Later noem je dat een ‘kindervraag’. Wat bedoel je daarmee?
‘Ik wilde in eerste instantie precies uitzoeken wat mijn opa had gedaan. Zodat ik zijn daden kon indelen van ‘heel erg’ tot ‘minder erg’. Voor mij fungeerde Auschwitz daarbij als een soort ijkpunt. Als je wist wat daar gebeurde én er bewust aan meewerkte, ben je extreem slecht. Dan schiet je per definitie moreel zwaar tekort.
‘Juridisch gezien is dat relevant, bijvoorbeeld wanneer een rechter tot een oordeel en straf moet komen. Maar moreel gezien ligt dat ingewikkelder. De NSB was al vanaf 1935 een radicale, gewelddadige en antisemitische beweging. Binnen de bredere machinerie van collaboratie met de Duitse bezetter konden, onder het toeziend oog van velen, mensen uit hun huizen worden gehaald. Hun bezittingen werden afgepakt en zij werden op transport gesteld.
‘Zelfs als iemand het exacte eindpunt van die transporten niet kende, was er al meer dan genoeg zichtbaar om te begrijpen dat hier iets fundamenteel misging. In dat licht is die vraag – wist hij van Auschwitz of niet – eigenlijk een kindervraag. Ze suggereert dat schuld pas begint bij kennis van de vernietiging, terwijl het in werkelijkheid al besloten lag in het meewerken aan (en toestaan van) uitsluiting, onteigening en deportatie.’
E. du Perron en jouw opa groeiden allebei op in het koloniale Nederlands-Indië, in vergelijkbare omstandigheden van rijkdom en privilege. Toch maakten ze radicaal andere morele keuzes. Wat zegt dat volgens jou?
‘Mijn opa Sjarrel en Du Perron hadden een opvallend vergelijkbare start van hun leven: allebei de voornaam Charles, gevormd in dezelfde koloniale wereld, met een vergelijkbare opvoeding en een leven tussen Indië en Europa. Waar Du Perron zich actief afzette tegen het nationalisme en het koloniale denken kritisch bevroeg – mede geïnspireerd door Multatuli – bewoog mijn opa zich in de tegenovergestelde richting en omarmde hij juist dat wereldbeeld.
‘Wat mij daarin raakt, is dat dit laat zien dat morele keuzes niet simpelweg uit afkomst of omgeving voortvloeien. Hoe moeilijk het ook is om tegen de stroom in te gaan, zeker als de meerderheid een andere kant op beweegt, er blijft altijd een mogelijkheid om je te verzetten.’
Hoe is het voor jou om met een verhaal over je ‘foute’ familiegeschiedenis de E. du Perronprijs te ontvangen?
‘Ik ben er echt heel blij mee. Wat ik vooral waardeer, is dat de jury het boek heeft gelezen zoals het is bedoeld. Niet alleen als een persoonlijk verhaal of een individuele zoektocht, maar ook als een maatschappelijke oproep om het gesprek aan te gaan over hoe een samenleving functioneert onder extreme druk. En eerlijk: als ik aan mijn opa denk, vind ik het ergens ook wel mooi.’
Sitalsing lacht: ‘Hij zal vast niet trots op me zijn.’
De uitreiking van de E. du Perronprijs vindt plaats op dinsdag 12 mei (16.30 tot 18.00 uur), voorafgaand aan het Night University-festival, in de Marga Klompézaal van de universiteit. Schrijver Karin Amatmoekrim verzorgt de bijbehorende E. du Perronlezing.
