‘Ik ben 66 en durf eindelijk te zeggen: ik wil gerechtigheid’

‘Ik ben 66 en durf eindelijk te zeggen: ik wil gerechtigheid’

Paula Vrij is vijf als haar ouders in de zomer van 1958 op tragische wijze om het leven komen. Familieleden willen haar opvangen, maar de overheid beslist anders. Onder de hoede van jeugdbeschermers, pleegouders en de Zusters van de Goede Herder wordt ze jarenlang misbruikt en uitgebuit. Nu, op 66-jarige leeftijd, strijdt ze voor gerechtigheid. “Het systeem van uitbuiting moet doorbroken worden.”

“Ik ben geboren in Amsterdam. Mijn vader was een Surinaamse jazzmuzikant, mijn moeder was Duits. In Amsterdam konden mijn ouders niet aarden. Hij was een zwarte communist, zij was wit en bovendien een stuk jonger. Het waren de jaren vijftig, hun liefde mocht niet bestaan.

Ik was nog klein toen we met het gezin naar Suriname verhuisden. Voor mij was het daar heerlijk. Er was veel ruimte, ik fladderde lekker rond tussen de bananenbomen en de rijstvelden. Maar met mijn ouders ging het niet goed. Op een nacht hoorde ik veel lawaai. Toen ik naar beneden liep, zag ik mijn vader hangen in de deuropening. Ik kroop bij mijn moeder in bed. Pas toen het licht was geworden, merkte ik dat mijn gele pyjamaatje helemaal rood was. Ik zat onder het bloed van mijn moeder. Mijn vader had haar van het leven beroofd, en daarna zichzelf.De familie wilde dat mijn zusjes, mijn broertje en ik bij elkaar zouden blijven. Familieleden aan onze Surinaamse en Duitse kant wilden voor ons zorgen. Maar de Nederlandse staat duidde ons aan als weeskinderen. We werden teruggehaald naar Amsterdam en ondergebracht in het weeshuis van de zusters van de Voorzienigheid.

Daar verbleven we een paar jaar, totdat mijn broertje en jongste zusje in een pleeggezin werden geplaatst in Den Dolder. Ik werd samen met mijn oudste zusje bij een echtpaar in Amsterdam geplaatst. Dat we uit elkaar werden gerukt, vond ik verschrikkelijk.

In het pleeggezin begon het seksueel misbruik vrijwel meteen.

Contact met onze familie werd verboden. Ik werd in elkaar geslagen, uitgescholden, bedreigd. Mijn zusje werd ook seksueel misbruikt. Dat heb ik lange tijd niet geweten.

Over de meisjes van de Goede Herder

Hard werken zonder enige vorm van betaling. Naaien, wassen, strijken en schoonmaken, zes dagen per week. Onder strikt toezicht en continue bedreiging van straf en eenzame opsluiting. Het overkwam zo’n vijftienduizend meisjes in Nederland tussen 1860 en 1978. Zij werkten in de wasserijen en naaiateliers van de Zusters van de Goede Herder. Vrijwel allemaal werden ze op last van de kinderbescherming in deze instellingen geplaatst. Vaak na het overlijden van een ouder, huiselijk geweld, verwaarlozing of seksueel misbruik.

De meisjes leefden afgesloten van de buitenwereld in een instelling met hoge muren. Ze mochten niet met elkaar praten en kregen geen onderwijs. Wie wegliep werd door de politie teruggebracht.

Lees meer in dit Univers-verhaal.Ik verzette me het hevigst, dus ik kreeg de meeste klappen. Eén keer sloeg mijn pleegvader me zo hard dat het bloed tegen de muur spatte. Mijn pleegmoeder zei toen heel koeltjes tegen hem: ‘Kijk uit Hugo, straks vermoord je haar nog.’

Zij wist van het misbruik. Ze dreigde dat ze mij naar Amerika zou sturen als ik het vertelde, waar ik als slaaf aan de ketting zou moeten leven. En hij dreigde dat hij me dood zou slaan. Doe maar, dacht ik. Alles beter dan dit.  

Ik heb mijn voogdes herhaaldelijk verteld wat er in het pleeggezin gebeurde. Zij geloofde me niet. Het was mijn balletjuf die uiteindelijk iets begon te vermoeden. Zij was de enige bij wie ik steun vond. Als ik bij haar was en kon dansen, dan was ik eventjes gelukkig. Dan voelde ik me vrij.

Paula in haar kindertijd

Paula in haar kindertijd

Op een dag ben ik verkracht door de buurman van mijn voogdes, die zich uitgaf voor iemand van de voogdijvereniging. Na die gebeurtenis werd ik thuis steeds opstandiger. Ik dacht: in wat voor wereld leef ik?

Ik pikte het niet langer.

Toen heb ik mijn balletjuf in vertrouwen genomen over het misbruik. Ik vroeg haar niets te zeggen, want dan zou ik thuis nog meer klappen krijgen.In het pleeggezin ontstond in de jaren daarna een onhoudbare situatie. De ruzies liepen steeds verder uit de hand. Ik dreigde dat ik naar de politie zou gaan en alles zou vertellen. Mijn voogdes en mijn pleegouders besloten me toen naar een observatiekliniek te sturen. Daar zou ik misschien een beetje tot rust komen, zei mijn voogdes.

Ik kwam in Rijsbergen terecht in een observatiehuis van de Domincanessen van Bethanië. Dat was voor meisjes vanaf zestien jaar, terwijl ik pas veertien was.

Zuster Prisca, de directrice, vond dat ik onderzocht moest worden door de psycholoog. Aan die psycholoog durfde ik voor het eerst mijn hele verhaal te vertellen. Maar ik werd weer niet serieus genomen. Ik zou het allemaal verzonnen hebben.

De psycholoog zei dat hij maagdelijkheidsonderzoek bij me moest uitvoeren. Hij betastte me en drong daarbij mijn lichaam binnen. Daarna moest ik wekelijks door de psycholoog ‘gecontroleerd’ worden.

In het observatiehuis werd vaak gedreigd met de Goede Herder in Almelo.

Almelo stond bekend als het grootste strafkamp. Als je niet luisterde of een grote mond had, dan zou je daarheen worden gestuurd.

In december 1967 werd ik door drie mensen in de auto van mijn voogdes gesmeten. Ze brachten me naar Almelo.

Het was er kil en doods. Ik kreeg een piepklein chambretje toegewezen. De volgende dag moest ik meteen aan het werk, achter de naaimachine. Daar zat ik dan. Een meisje van bijna vijftien, compleet gedesillusioneerd.

Het voelde echt als een strafkamp. We moesten twaalf uur per dag werken, zes dagen per week. Met elkaar praten was verboden. Je bent al zo geknakt als je daar binnenkomt, en vervolgens zink je alleen maar dieper weg in je eenzaamheid en isolement. Je stompt af. Daar loopt iets, en dat ben jij. Maar het voelt niet alsof jij dat bent. Je bent een soort leeg omhulsel.In de weekenden en vakanties moest ik soms terug naar mijn pleeggezin. Ik wilde niet, maar ik moest. Dat ik daar mijn hele jeugd misbruikt en mishandeld was, geloofden ze ook bij de Goede Herder niet.

Elke keer als je je wat sterker voelde, werd dat meteen de kop ingedrukt.

Dan maakten ze je klein. Ik was het enige Surinaamse meisje, dus ik was ‘die zwarte’. Ik had een behoorlijk complex over mijn huid. Eén van de zusters bombardeerde me tot Donsje, vanwege mijn kroezende haar. Ik zei dat ik Paula heette. Nee, zei ze, we gaan je Donsje noemen.

Ik weet nog hoe blij ik was toen ik moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Door het jarenlange seksuele geweld had ik ernstige klachten. Ik moest een operatie ondergaan. In het ziekenhuis vond ik het gezellig, ik werd er vertroeteld. Maar uiteindelijk moest ik weer terug.

Terwijl ik in mijn eentje op mijn chambrette herstelde van de ingreep, besefte ik plotseling dat ik als vijfjarig meisje naast mijn dode moeder had gelegen. Dat was heel heftig. Al het verdrongen verdriet om mijn moeder kwam naar boven. Ik stopte mijn hoofd in mijn kussen om het gehuil te smoren.

Na tweeënhalf jaar werd ik van de Goede Herder naar huize Alto Vista in Zeist gestuurd, een tehuis voor werkende meisjes vanaf zestien jaar. Daar was meer vrijheid, maar ook daar moest ik werken. Eerst in een lampenwinkel, daarna bij een verzekeringsmaatschappij. Driekwart van mijn inkomsten ging naar de zusters. Voor kost en inwoning.

Paula op 18-jarige leeftijd

Paula op 18-jarige leeftijd

Ik trouwde zodra ik een man leerde kennen. Hij was niet onaardig, en ik wilde weg.

Een gelukkig huwelijk was het niet. Hij had een zachtaardige kant, maar hij was ook bezitterig. Het geld dat ik verdiende met modellenwerk moest ik inleveren. Soms was hij gewelddadig.

En zelf was ik door mijn liefdeloze jeugd ook niet goed in staat om een gezonde relatie aan te gaan. Ik had de neiging om volgzaam te zijn. Ik had geen basis.

Het huwelijk hield elf jaar stand. Toen heb ik met mijn twee kinderen de benen genomen. Ik had helemaal niets. We kregen een huis toegewezen in Helmond, waar we de eerste vier maanden op het beton hebben geslapen. Ik probeerde op te krabbelen, en dat lukte aardig. Na lang sparen konden we zelfs met z’n drietjes op vakantie naar Mallorca.

De pijn is altijd gebleven.

Fysiek, want mijn lijf is kapot, maar ook emotioneel. Het verdriet over mijn zusjes en broertje is nog altijd groot. Als oudste van de vier heb ik geprobeerd ons weer bij elkaar te brengen. Ik hoopte dat we na al die verloren jaren ons leed konden delen en het leven samen konden oppakken. Maar dat lukte niet. Je bent toch van elkaar vervreemd. Dat vind ik heel erg.

Wat me ook veel verdriet doet, is dat mijn kinderen schade hebben ondervonden van wat er met mij is gebeurd. De klappen die je kinderen moeten incasseren, die doen misschien wel het meeste pijn.

De weg die ik heb bewandeld, zou ik mijn ergste vijand niet toewensen. Maar inmiddels ben ik zesenzestig en durf ik te zeggen: ik wil gerechtigheid. Dat is moeilijk, opboksen tegen machtige partijen, maar ik heb rechten. En die rechten zijn aan alle kanten geschonden.

Niet alleen door de nonnen in Almelo. Mijn verhaal – en het verhaal van veel andere vrouwen – is groter dan dat ene tehuis. Het was een systeem. Al die tehuizen vormden één grote organisatie. Wij werden als kwetsbare meisjes niet aan de nonnen toevertrouwd, we werden aan ze geleverd. Zodat er geld aan ons verdiend kon worden.

Ik houd de staat verantwoordelijk.

Want die wist ervan. Het is allemaal gebeurd onder toeziend oog van de kinderbescherming, van de overheid die ons had moeten beschermen. Ik hoop dat wij, de meisjes van de Goede Herder, die erkenning krijgen. En ik hoop ook op financiële genoegdoening. We hebben veel schade geleden, en dat moet gecompenseerd worden.

De meisjes van de Goede Herder zijn geen meisjes meer. We zijn sterke vrouwen. Na al die ellende zijn we toch overeind gekomen. En we weten nu ook: je hoeft geen slachtoffer te blijven. Je kunt uit dat patroon komen. Dat doen we allemaal op onze eigen manier. Bij mij is het mijn spiritualiteit die me gered heeft.

Dat ik nu eindelijk gehoord en geloofd word, doet mij heel veel. Ik wil mijn verhaal vertellen. Niet alleen voor mijzelf, maar voor alle meisjes en jongens die na mij komen. Want het gebeurt nog steeds dat kwetsbare kinderen worden uitgebuit. Dat moet stoppen.

Het systeem waarin ik dertien jaar lang gevangen zat, moet doorbroken worden.”Univers sprak ook met Joke de Smit, Joyce, Joke Vermeulen en Lies Vissers over de diepsnijdende gevolgen van hun tijd bij de Goede Herder. Klik op de foto’s hieronder om hun verhalen te lezen.

Joke de Smit

Joke de Smit

Joyce Geaerds Thesing

Joyce

Lies Vissers

Lies Vissers

Joke Vermeulen

Joke Vermeulen

Dwangarbeid

Volgens emeritus hoogleraar victimologie Jan van Dijk (Tilburg University) was er in de instellingen van de Goede Herder overduidelijk sprake van jeugddwangarbeid en mensenhandel.

De overheid was verantwoordelijk voor deze kwetsbare kinderen en had hen moeten beschermen, zo stelt Van Dijk. Hij steunt de meisjes van de Goede Herder in hun strijd voor erkenning en herstelbetalingen. Lees alles over die strijd in dit Univers-verhaal.

Advertentie

Bekijk meer recent nieuws

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Blijf op de hoogte. Meld je aan voor de nieuwsbrief van Univers.